Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARDEERING VAN HET GEESTELIJK

LEVEN BIJ MARX EN ENGELS; DE THEORIE VAN HET SPIEGELBEELD.

In de karakteristiek, die Heymans geeft van het monistisch materialisme, maakt hij, om de beteekenis van het bewuste leven duidelijk te maken, gebruik van de vergelijking van het schaduwof spiegelbeeld: zooals hierboven reeds is medegedeeld, zou de reeks van bewustzijnsverschijnselen ongeveer te vergelijken zijn met een schaduw- of spiegelbeeld, hetwelk geen zelfstandig bestaan heeft, maar waaraan, als aan een vluchtig, bijkomstig nevenverschijnsel of epifenomeen, eigenlijk in het geheel geen, zelfs geen schijnbestaan, kan worden toegekend, terwijl „das Bewusztseinsleben sich dem Gehirnleben soenge a-nschlieszt, wie einem Menschen sein Scha11en."1)

Deze theorie van het spiegelbeeld neemt een domineerende plaats in zoowel in den arbeid van Marx als in dien van Engels: telkens en telkens wordt op deze voorstelling een beroep gedaan ter verduidelijking van den gang van het betoog, met name om de verhouding tusschen denken en zijn wijsgeerig tot uiting te brengen. Zoo lezen wij reeds dadelijk in de voorrede tot de tweede uitgave van „Het Kapitaal", dat „ongetwijfeld, wat den vorm betreft, de voorstellingswijze verschillen moet van het onderzoek. Het onderzoek moet zich van de stof in onderdeelen meester maken, hare verschillende ontwikkelingsvormen ontleden en hun inwendig verband opsporen. Eerst nadat deze arbeid volbracht is, kan de beweging overeenkomstig de waarheid voorgesteld worden. Gelukt dit, en weerspiegelt zich nu het leven van de stof in de ideeën, dan kan het er uitzien alsof men met een konstruktie a priori te doen heeft."

Op verschillende andere plaatsen wordt door Marx van deze voorstelling evenzeer gebruik gemaakt; ik citeer er slechts enkele van:

„Het brein van de bijzondere voortbrengers weerspiegelt het dubbel maatschappelijk karakter van hun persoonlijken arbeid slechts in de vormen, die in het praktische verkeer, in den ruil. *) Vgl. blz. 33.

69

Sluiten