Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verachijnen: — het maatschappelijk nuttige karakter van hun persoonlijken arbeid dus in den vorm, dat het arbeidsprodukt nuttig moet zijn, en wel voor anderen, — het maatschappelijk karakter van de gelijkheid van den verschillenden arbeid in den vorm van het gemeenschappelijke waardekarakter van deze stoffelijk onderscheiden dingen, van de arbeidsprodukten."

(Het afgodskarakter van de Waar en zijn Geheim).

„Deze werkelijke bekrompenheid (van de verhoudingen der menschen in het produktieproces van hun stoffelijk levensonderhoud) weerspiegelt zich ideëel in de oude natuur- en volksgodsdiensten. De godsdienstige weerschijn van de werkelijke wereld kan over het geheel eerst verdwijnen, zoodra de toestanden van het praktische leven van eiken dag voor de menschen den vorm aannemen van volkomen doorzichtige, redelijke betrekkingen tot elkaar en tot de natuur." (Zelfde hoofdstuk).

„Deze rechtsbetrekking, waarvan het contract de vorm is, hetzij wettelijk ontwikkeld of niet, is een wilsbetrekking, waarin de economische betrekking weerspiegeld wordt. De inhoud van deze rechts- of wilsbetrekking wordt door de economische betrekking zelf bepaald." (Het ruilproces).

„Om zulk een waardespiegel te zijn, moet de kleermakersarbeid zelf niets weerspiegelen behalve alleen zijn abstracte eigenschap van menschelijken arbeid." (De equivalentvorm.)

„Hoe deze aan de kapitalistische produktie bijzonderlijk eigen en haar kenmerkende omzetting, ja, verplaatsing der verhouding van dooden en levenden arbeid, van waarde en waardescheppende kracht, zich afspiegelt in het bewustzijn der kapitalistische hoofden, moge ten slotte nog één voorbeeld aantoonen." (Meerwaardevoet en grootte der meerwaren.)

Vooral Engels in „Ludwig Feuerbach und der Ausgang der klassischen deutschen Philosophie" bedient zich telkens van deze vergelijking, die, met name in den vorm, waarin zij door hem ingekleed wordt, slechts waarde heeft binnen het kader der monistisch materialistische, der naturalistische wijsbegeerte. De verhouding tusschen denken en zijn besprekend vraagt hij:

„Wie verhalten sich unsre Gedanken über die uns umgebende Welt zu dieser Welt selbst? Ist unser Denken im Stande, die wirkliche Welt zu erkennen, vermogen wir in unsern Vorstellungen und Begriffen von der wirklichen Welt ein riohtiges S p i eg e 1 b i 1 d der Wirklichkeit zu erzeugen?"

70

Sluiten