Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standige bron, waaruit de bewustzu'nsverscbijnselen opwellen, bestaat voor hem niet: eenerzijds is hij voor Marx een onwerkelijk iets, inderdaad niets meer dan een functie der materie, anderzijds echter, als opgehoopte menschelijke arbeid, in verstoffelijkten vorm in het waardelichaam aanwezig. Alleen van uit dit standpunt kan men zijn gedachtengang begrijpen, wanneer hij, in het hoofdstuk over den relatieven waardevorm, spreekt van dte verwante, schoone waardeziel, die de gebruikshchamen als waardemassa's in elkaar erkennen, en van de warentaal, die deze verheven waardewezens spreken, terwijl het elders weer heet dat, bij veranderde ekonomische omstandigheden, geen vezel van het vlas is veranderd, maar dat aan dat vlas eennieuwe maatschappelijke ziel in het lichaam is gevaren; om aan te toonen dat het linnen een van zijn natuurlijken vorm verschillenden waardevorm krijgt, lezen wij, dat „zijn waarde-zijn verschijnt in zijn gehjkheid met de jas als het lichaam van de jas-waar, zooals de schapennatuur van den Christen verschijnt in zijn gelijkenis met het Lam Gods."

Zoo wordt, door deze opvatting van het waardebegrip, „delegende van den theologischen zondeval, die ons verhaalt, hoe de mensch veroordeeld is geworden zijn brood te eten in het zweet zijns aanschijns, tot den ekonomischen zondeval, waarvan de historie ons leert, hoe het komt dat er lieden zijn, die zich daarvan niets hebben aan te trekken": de ekonomische bouw der kapitalistische maatschappij is opgetrokken op den warenvorm van het arbeidsprodukt of op den waardevorm van de waar, welke, behalve fundament, er tevens hoeksteen en toppunt van. is. Tornt men in een enkel opzicht aan dien „celvorm", en dit doet men met name, wanneer men het monistisch materialistische uitgangspunt van Marx kritiseert, dan breekt men tevens met zijn geheele leer: in verzet komen tegen de „Degradierung des Geistes", zooals bijv. Mevr. Roland Holst doet, die „gevoelens, impulsies, affecten en stemmingen met onweerstaanbare kracht ziet oprijzen uit de grondelooze diepten van het onderbewuste,' diepten, waarin vooroordeelen, voorstellingen, overtuigingen en ideologieën, die wij overwonnen waanden, schier onuitroeibaar krachtig voortleven," — dit alles beteekent, dat men in den kijk, $ien men heeft op de ontwikkeling der maatschappij, niet meer marxistisch aangelegd is.

En wanneer wij, in een artikel van deze vurige aanhangster van Marx, door haar als een genie betiteld, lezen, dat „de ekonomische ontwikkeling de impulsie heeft gegeven naar het socialisme,

78

Sluiten