Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo lezen wij dan ook in de voorrede van de eerste uitgave van „Het Kapitaal":

„De gedaanten van kapitalist en van grondeigenaar schets ik geensdeels in een rooskleurig licht. Maar het is om de personen slechts in zooverre te doen, als zij de belichaming van ekonomische kategorieën zijn, dragers van bepaalde klasseverhoudingen en belangen. Minder dan eenig ander kan mijn standpunt, hetwelk de ontwikkeling van de ekonomische maatschappij vor men opvat als een natuurhistorisch proces, den enkeling verantwoordelijk maken voor omstandigheden, waarvan hij maatschappelijk het voortbrengsel blijft, hoe hoog hij er voor zich zelf zich ook boven verheffen mag." Ditzelfde denkbeeld komt in bijna dezelfde terminologie nog eens terug bij de bespreking van het tweede hoofdstuk, Het Ruilproces,, van het eerste boek van „Het Kapitaal": „De personen bestaan hier enkel voor elkaar als vertegenwoordigers van waren, en dientengevolge als warenbezitters. Wij zullen in het algemeen in den voortgang van de ontwikkeling vinden, dat de ekonomische aangezichten van de personen enkel de verpersoonlijking van de ekonomische betrekkingen zijn, als welker dragers zij met elkaar in aanraking komen."

De kapitalist is voor Marx dan ook niets anders dan het verpersoonlijkte kapitaal, wiens ziel is de kapitaalziel, een belichaamde produktieverhouding al zoo, en die in deze hoedanigheid de bevelvoering heeft over den arbeid, n.1. over de werkzame arbeidskracht of den arbeider zelf ; ten slotte is die kapitalist op zijn beurt ook slechts een drijfrad van het maatschappelijk samenstel, onderworpen aan de innerlijke wetten der produktiewijze als uiterlijke dwangwetten der concurrentie.

ihr spiritualdstischer JPoint-d'honneur, ilhr Enthusiasmus, ihre moralisohe Sanktion, ihre feierliohe Erganzung, ilhr allgemeiner Trost- und Rechtfer.tdgungsgrund. Sie ist die phantastische Verwirklicbung des memsohlichen Wesens, weil das mensohliohe Wesen ikeine wahre Wïrkliehkeit besitzt. 'Der Kampf gegen die Religion ist also mitteibar der Kampf gegen jene Welt, deren geistiges Aroma die Religion ist."

(Aus dem literarischen Naehlass von Karl Marx, Friednieh Engels und Ferdinanid Lassalle, herausgegeben von Franz Mehring, Erstet Band, blz. 384).

Hiér blijkt weer de nauwe verwantschap met Feuerbach, Das Wesen des Oh risten tums:

„Wie der Mensch denkt, wie er gesinnt ist, so ist sein Gott! so viel Wert der Mensch hat, so viel Wert und nicht mehr hat sein Gott."

In denzelfden zin Dietzgen, Die Religion der Sozialdemokrabie, Samtliche Schriften, I, blz. 115.

87

Sluiten