Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

non plus ultra van menschelijke vrijheid en individueele onafhankelijkheid is", en die wereld zich kenmerkt door een geeuwhonger naar meerwaarde, speelt met name „het Protestantisme een gewichtige rol in de wordingsgeschiedenis van het kapitaal, d. i. van de waarde, door de verandering van bijna alle traditiöneele feestdagen in werkdagen": zoo zijn de voornaamste leerstukken van den ehristelijken godsdienst, zelfs in hun verschillende nuanceeringen, voor Marx niets anders dan een reflex op, of een toepassing van de waarde-idee. x)

Ook het privaatrecht, naar vorm en inhoud, ontleent zijn betee-

darstellt, könnte ausgedrückt werden als allgemein mensch licihe Arbeit" (blz. 5).

Met de opmerking, dat „diese Abstraktion der allgemein menschlichen Arbeit existiert in der Durohsohnitts-arbedt", meent Marx den tegenstander van het onwerkelijk fundament ivan zijn waardeleer op zijde geschoven te hebben: voor hem, die waarheid wil, heeft de schrijver van Het Kapitaal met deze woorden de gelding, de waarheidswaarde van zijn levensleer echter niet aannemelijk gemaakt.

*) Het is mij dan ook volkomen onbegrijpelijk, hoe de religieuse socialisten, zooals b.v. de „Bond van Christen-Socialisten", hun beginselverklaring rechtvaardigen; eenerizijds omschrijven zij hun Bond als de gemeenschap van hen, die „van zins en willens zijn te leven uit het beginsel der Goddelijke Liefde, gelijk dit ten volle in Jezus Christus openbaar is", en anderzijds constateeren zij iwel „den strijd der klassen, maar verwerpen de klassenstrijdleer" (Beginselverklaring). Naar mijn meening ontbreekt bet dezen Bond, strijdende voor een socialisme, aan het inzicht in het albeheerschende, absolute en in zichzelf gesloten systeem van de waardeleer, terwijl hij zich evenmin rekenschap gegeven heeft van de vernietigende wijze, waarop Marx zich over het Christendom uitlaat: uitdrukkelijk schrijft hij, dat „in de oude Aziatische, antieke en andere productiewijzen de verandering van de producten in waren en derhalve het bestaan van den mensch als warenproducent, een ondergeschikte rol speelt, dieevenwel meer gaat beteekenen, hoe iv erderde gemeenschap in het stadium van verval komt", van welk verval de verbreiding van den ehristelijken godsdienst dus een uiterlijk symptoom is.

Men vergelijke verder, wat Marx, in zijn „Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie", schrijft over den godsdienst als maaksel der menschelijke hersenen: „Der Mensch macht die Religion, die Religion macht nicht den Menschen. Und awar 'ist die Religion das Salbstbewusatsein und das Selbstgefühl des Menschen, der sich selbst entweder noch nicht erworben, oder schon wieder verloren hat".

(Aus dem iiterairisohen Nachlass von Karl Marx, Friedrich Engels und Ferdinand Lassalle, herausgegeben von Franz Mehring, Erster Band, blz. 384.)

96

Sluiten