Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Proudhon richt, die „eün ideaal van. de rechtvaardigheid, van de „justice éternelle", eerst ontleent aan de met de warenproductie overeenkomende rechtsbetrekkingen, en dan omgekeerd de werkelijke warenproductie en het met haar samenhangende werkelijke recht volgens dit ideaal wil hervormen".

Marx vergelijkt deze handelwijze met die van een scheikundige, die, in plaats van de werkelijke wetten van de stofwisseling te bestudeeren, en op den grondslag daarvan bepaalde kwesties op te lossen, de stofwisseling door de „eeuwige ideëen" van de „naturalité" en de „affinité" wilde omzetten: de „justice éternelle", en de „équité éternelle", en de „mutualité éternelle", en de andere „vérités éternelles", hebben voor Marx alleen maar beteekenis als resultaat van een stoffelijk, d. i. historisch materialistisch proces, en evenmin als een beroep op de affiniteit zonder meer een scheikundig vraagstuk verklaart of oplost, evenmin kan een beroep op recht en rechtvaardigheid een privaat- of publiekrechtelijke kwestie ook maar een stap nader tot haar oplossing brengen. In het denkschema van de natuurwetenschappen lascht Marx met niets ontziende consequentie ook de wetenschap des rechts, of, ruimer gesproken, de wetenschap van het geheele geestelijke leven: voor een vraag naar waarden is er in zijn systeem geen plaats, en in zijn begrippencomplex moge de een of andere sociale „atoom"-constellatie gecompliceerder of duurzamer zijn dan de andere, maar daarin ligt geen waardeverschil, alleen een quantiteitsverschil opgesloten.')

l) Masaryk vestigt er de aandacht op, dat Marx, waar hij de maatschappelijke verhouding tusschen denken en zijn bespTeekt, in zijn terminologie niet scherp omlijnd is: „man wird finden, dass Marx zwar etwas will, aber dass er seinen Gedanken nicht formulieren kann" (blz. 94). Ik gevoel voor idit bezwaar niet veel: elk der door Marx gebruikte „beeldspraken" gaat uit van dezelfde gedachte, ml. dat de eenige werkelijkheid is de realiteit der stof, en het geestelijk leven ndet meer dan een nevenverschijnsel, een soort wezenloos aanhangsel; ter verduidelijking, ter betere oriënteerdng in de onaanschouwelijke geestelijke dingen, bedient hij zich onophoudelijk van methaphoren en analogieën, ontleend aan de ruimtelijke natuur of aan het gewone leven, snaar deze hebben slechts een betrekkelijke, geen fundamenteele beteekenis.

Zoo ook met name de theorie van het spiegelbeeld, of de analogie van den bovenbouw, al worden deze ndet steeds met dezelfde woorden omschreven: het aan dezen geheelen gedachtengang ten grondslag liggende begrip is echter universeel.

Eene opmerking van dezelfde strekking maakt Max Adder in „Marxistische Probleme", blz. 235 en 236, noot 20 en 21.

103

Sluiten