Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arbeit verschiedener Subjekte, sondern die verschiedenen arbeitenden Individuen erscheinen vielmehr als blosze Organen der Arbeit." x)

Marx stelt zich de totaliteit van den maatechappelijken arbeid als één geheel voor, één uiting van de geheele arbeidskracht der maatschappij, zoodat elke individueele bezitter van arbeidskracht alleen maar in aanmerking komt, in zooverre hij drager is van het gemiddelde van die onderscheidslooze massa menschelijke arbeidskracht: deze opvatting, fundamenteel ter verklaring van het begrip waarde, is slechts te aanvaarden binnen het kader van een, tot het uiterste doorgevoerde sociaaldemocratische, materialistische levensleer, waarbinnen de persoonlijkheid geen eigen, oorspronkelijke waarde heeft De mensch, met al wat hij voortbrengt, is niets meer dan een onzelfstandig doorgangspunt van natuurkrachten, een voorbijgaand, kernloos product van het eindeloos spel der wetten van de maatschappij. De arbeidende klasse, als geheel genomen, staat bij deze opvatting als één groote, ruilwaarde vormende arbeidskracht tegenover het kapitaal, dat binnen de grenzen van het productieproces de bevelvoering krijgt over den arbeid, d. i. over de werkzame arbeidskracht of den arbeider zelf: daarom kan Marx, de fabriekswetgeving besprekende, als kenmerk der moderne industrie noemen, dat „zij de verdeeling van den arbeid in de maatschappij onophoudelijk wijzigt, en bestendig massa's van kapitaal en massa's van arbeid uit den eenen tak van productie in den anderen werpt." 2)

Deze „vermaatschappelijking" van den arbeid wordt nu reeds in het eerste hoofdstuk van zijn inleidende beschouwingen, en verder doorloopend in zijn geheelen arbeid, door Marx als van zelfsprekend vooropgesteld: hij wordt niet moede te verzekeren, dat in deze abstractie van, in deze reductie op algemeen menschelijken arbeid de volle economische werkelijkheid gegrepen wordt, dat „het niet anders kan zijn", dan dat wij in dezen factor tevens den eenig reëelen, den absoluten waardemaatstaf bezitten. Marx veronder-

*) In Het Kapitaal schrijft Marx ook, dat „die individuellen Arfoedtskrafte von Haus aus nur als Organe der igemednsaimen Arbeitskraft der Familie wirken."

*) Hier wordt een beroep gedaan op de natuurwetten van de warennatüur, en arbeider en kapitalist zijn in dezen gedacbtangang niets anders dan de verpersoonlijking van twee, elkaar „vijandige" en in tegengestelde richting op elkaar inwerkende, maatschappelijke natuurkrachten.

110

Sluiten