Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier wordt alzoo de mathematische, mechanische of biologische natuurwetenschap tot de eenige wetenschap verklaard, waarbinnen alleen datgene, wat in het denkschema van die wetenschap past, werkelijkheid is, en de kategorieën van die wetenschap de eenige zijn, die constitutieve beteekenis hebben voor de werkelijkheid: het rationalistisch naturalisme in optima forma is hier voor Marx de eenig mogelijke levensbeschouwing, georiënteerd als zij is aan de natuurwetenschappelijke objectenwereld, en waarbinnen slechts het quantitatieve heerscht, de concrete werkelijkheid zuiver quantitatief is.

Inderdaad, het geestelijk leven is een nevenverschijnsel, vatbaar voor de bewerking eener psychologische mechanica: waarden en normen, recht, waarheid, kunst, godsdienst bloeien in onverbrekelijke noodzakelijkheid op uit en worden, gelijk al het andere, weer opgelost in de natuur, welke alleen bestaat, is.

Het betoog in den aanvang van „Het Kapitaal" is nu juist daarom zoo moeilijk te construeeren, omdat hier de waarde-idee als het ware van alle kanten tegelijk moet worden toegelicht; de „absolute waarheid" van Marx' systeem, het op zijn hoofd gezette Mealisme van Hegel, en als zoodanig evenzeer een „kyklische Lehre", aan te toonen, daarin te komen, beteekent tevens het karakter van zijn absolute wijsbegeerte doorgronden, en wat de Sopper zoo aardig zegt van Hegel's systeem, is ook hier van toepassing: men kan er niet inkomen, voordat men het begrepen heeft en men kan het niet begrijpen, voordat men er in is. In volkomen overeenstemming hiermede is de aanvankelijke verklaring van de waarde een zuivere cirkelredeneering: zij kan ook niet anders zijn, omdat hier alleen de groote trekken gegeven worden, waarin echter, achterna bedacht, van te voren alles, begin zoowel als einde, begrepen is. Eerst constateert Marx, dat „een gebruikshchaam of goed (dus) slechts waarde heeft, omdat abstract menschehjke arbeid daarin is belichaamd of gematerialiseerd," terwijl omgekeerd, ter verklaring van dien gelijken menschelijken arbeid, geschreven is, dat de verschillende arbeidsproducten, nadat afgezien is van hunne gebruiksnuttigheid, „als kristallen van hun gemeenschappelijke, maatschappelijke substantie, hoeveelheden waarde zijn."

„De weverij, de bijzondere arbeid, die linnen produceert, bevindt zich dus tevens in algemeen maatsahappelijken vorm, den vorm van gelijkheid aan allen anderen arbeid."

115

Sluiten