Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teit als werking van de arbeidskracht onder normale omstandigheid, ontneemt hij aan dit deel van zijn betoog alle overtuigende kracht.*)

Wat hierboven is opgemerkt ten aanzien van de hoegrootheid van, het bepalende moment van het waardevormend gehalte van den arbeidsfactor, geldt in dezelfde mate ten aanzien van den factor tijd: de kern van Marx' waardeleer zit echter in de bepaling, in de vaststelling van de arbeidseenheid, en wanneer die arbeidseenheid vastgelegd is in den maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd, wordt „de hoeveelheid van den arbeidstijd vanzelf gemeten door zün tijdsduur, welke arbeidstijd dan weder zün maatstaf vindt in bepaalde tijdsdeelen, zooals uur, dag, enz." Marx' behoefte, zy'n wetenschappelijke zucht naar exactheid drijft hem nu naar „den maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd als arbeidstijd, noodig om het een of andere gebruikslichaam te verkrügen onder de gegeven maatschappelijk normale productievoorwaarden, en het maatschappelijk gemiddelde van bekwaamheid en intensiteit".

In dit verband kom ik hier met een enkel woord terug op de voorstelling, door nüj hierboven op blz. 45 en 65 ontwikkeld, dat de arbeider, mdividueel psychologisch beschouwd, tijdens het arbeidsproces wordt „overgeheveld" in het arbeidsproduct: ter verklaring van het waarde-begrip als maatschappelijk verschü'nsel kan nu hetzelfde beeld dienst doen. De arbeidende klasse, als maatschappelijke arbeidsfactor beschouwd, wordt in haar geheel omgezet in het totaal der waarde van de waren, welke de maatschappü voortbrengt: daarom juist geldt de geheele arbeidskracht der maatschappü als één onderscheidslooze massa van menschehjke arbeidskracht, hoewel zy* uit tallooze individueele arbeidskrachten bestaat. Volkomen in het kader van deze theorie past de voorstelling, dat „elk van deze mdividueele arbeidskrachten dezelfde menschelijke arbeidskracht is zoo goed als de ander, voorzoover zü het karakter van een maatschappelijk gemiddelde arbeidskracht bezit en als zulk een maatschappehjk gemiddelde arbeidskracht werkt, dus voor het produceeren van een waar ook alleen

') Dit bezwaar houdt nauw ■verhand met de dubbelzinnige opvatting, die Marx heeft van het begrip „abstractie": zie blz. 119.

In de combinatie van deze beide bezwaren ligt dan ook het eigenlijke element van duisterheid in Marx' waardetheorie.

124

Sluiten