Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche „selbstmatige Funktion (Spontaneitat) des Verstandes," van daad en wil, moet principieel afgezien worden. Voor Marx is de economische mensch synoniem met de verpersoonlijking, of liever met de belichaming van een sociale functie, en de maatschappelijke ontwikkeling is een stoffelijk, een natuurproces, alleen in dit opzicht van het levenlooze of „tierisch-belebte" natuurproces onderscheiden, dat het voorwerp van onderzoek hier is een bewuste kracht, een bewust ding, wiens ziel, wiens eigenlijke wezen in werkelijkheid echter weer niets anders is dan een terugslag op het geheel der maatschappelijke productieverhoudingen: „a a ngezien nu de kapitalistische productie in haar wezen is productie van meerwaarde, opslurping van meerarbeid",1) is de kapitalist alleen werkzaam als verpersoonlijkt kapitaal, wiens ziel is de kapitaalziel, en de arbeider is enkel verpersoonlijking van arbeidskracht, en dus een natuurvoorwerp, hoewel een levend, zelfbewust ding. Inderdaad, de persoon is hier gedacht als een opeenhooping of een kruispunt van algemeenheden: hij is niets anders dan een doorgangspunt van maatschappelijke verhoudingen, de drager van de kapitaals- of arbeidsidee, kortom, om mij in marxistischen stijl uit te drukken, een warenhoeder, een warenbezitter, wiens wil als persoon in de waren huist. Voor een zedeleer, — dit begrip zoo ruim mogelijk genomen —, als een in zich zelve kracht bezittende openbaring van 's menschen persoonlijkheid, voor een erkenning van geestelijke waarden is geen plaats:'zelfs het „religiöse Gemüth" van Feuerbach is voor Marx niets anders dan een product der maatschappelijke omstandigheden, „und das abstrakte Individuum, das er, Feuerbach, analysirt, gehort in Wirklichkeit einer bestimmten Gesellschaftsform an".2) Het geheele geestelijk leven kan in oorsprong, beteekenis en strekking teruggebracht worden tot den warenvorm van het arbeidsproduct, waarvan het de getrouwe weerspiegeling is: de qualificatie „warendelirium", hierboven gebruikt ter kenschetsing van de kapitalistische maatschappij naar marxistisch inzicht, is inderdaad niet te scherp. 3)

J) TJiit dezen zin, ontleend aan het hoofdstuk „De strijd om den normalen arbeidsdag", blijkt weer de absolute strekking van de warenidee. *) Stelling 7 van Marx over Feuerbach.

') Wanneer Masaryk op (blz. 288 en 289 schrijft, dat er ook „anstandige Capitalisten" 'zijn, wier „Zahl allerdings schwer anzugeben iet", ziet hij het absolute karakter van Marx' systeem voorbij: in zijn (Marx') stelsel „ist der Capitalist Ausbeuter — ein moderner Faust, der zwischen Hab- und Genuss-

131

Sluiten