Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

THEORIE DER „WEDERKEERIGE WERKING" TUSSCHEN STOFFELIJKE EN GEESTELIJKE FUNCTIES. HET REVISIONISME.

Uit de uiteenzetting in het vorige hoofdstuk blijkt al dadelijk, ook voor den betoogtrant van Marx en Engels, het gewrongene der vergelijking, die het geestelijk leven eenvoudig opvat als een zuiver passieve weerspiegeling der economische verhoudingen in de hoofden der menschen: als vergelijking moge deze beeldspraak waarde hebben, maar van de werkelijkheid is zij door een onoverkomelijke kloof gescheiden. Het gevaar van het overbrengen van vergelijkingen, ontleend aan de wereld der stoffelijke natuurverschijnselen, op het terrein van het geestelijke leven, blijkt ook hier weer duidelijk: juist wanneer wij in het nadenken over ons kennen — wat ook Marx voortdurend deed en gedaan heeft —, ons bedienen van metaforen en beelden ter verduidelijking van het ingewikkelde en moeilijke van het onderwerp, ter betere oriënteering in de onaanschouwelijke, geestelijke dingen, blijken anderen achteraf die analogieën, beelden of vergelijkingen als het wezenlijke van de redeneering op te vatten, en van daaruit als van de kern van het betoog verder te argumenteeren. *) De passiviteit van den geest, zooals zij naar de opvatting van het nieuwe materialisme geschetst is in het betoog, hierboven uiteengezet op blz. 31 v.v. en 80 v.v., is voor sommige volgelingen van Marx het bewijs geweest, dat, zoowel op het gebied van het persoonlijk als op dat van het maatschappelijk leven, aan den geest — die geen bestaan, zelfs geen schijnbestaan heeft — alle mogelijke beteekenis en alle mogelijke werkzaamheid moet worden ontzegd: zij meenden, dat Marx geleerd had, dat „das ökonomische Moment sei das einzig bestimmende". Nu mag inderdaad niet ontkend worden, dat de theorie van het spiegelbeeld, waarvan Marx en Engels zich voortdurend en consequent bedienen, tot een dergelijke opvatting kan leiden; voeg hierbij, dat Marx zich nergens over dit principieele punt van zijn wijsgeerige maatsehappijbeschou-

') Vgl. de noot op blz. 103.

147

Sluiten