Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kiem te vinden, van wat later meer bijzonder als het vraagstuk der „wederkeerige werking" bekend is geworden.

Hij begint voorop te stellen, in de tweede afdeeling van zijn studie, dat „die Frage naoh dem Verhaltnisz des Denkens und Seins, des Geistes zur Natur, die höchste Frage der gesammten Philosophie ist;" deze verhouding lost hij op in zuiver naturalistischen zin, om te besluiten met de, in zichzelf niets zeggende omschrijving, maar die alleen beteekenis heeft in verband met de alomvattende, volstrekte beteekenis, die hij er aan hecht: „es ist nun einmal nicht zu vermeiden, dasz alles, was einen Menschen bewegt, den Durchgang durch seinen Kopf machen musz — sogar Essen und Trinken, das in Folge von vermittelst des Kopfs empfundnem Hunger und Durst begonnen und in Folge von ebenfalls vermittelst des Kopfs empfundner Sattigung beendigt wird".

Zuiver materialistisch wordt de geest vervolgens voorgesteld als een eigenschap der materie, aan welk inzicht Engels uiting geeft door de woorden: „Die Einwirkungen der Auszenwelt auf den Menschen drücken sich in seinem Kopf aus, spiegein sich darin ab als Gefühle, Gedanken, Triebe, Willensbestimmungen, kurz, als „ideale Strömungen" und werden in dieser Gestalt zu „idealen Machten"." *)

Zooals dus op het gebied van het mdividueele leven de eigenlijke werkelijkheid gevonden wordt in het stoffelijke, moet evenzeer op het terrein der gemeenschap wezen' van schijn onder-

*) In volkomen tegenstelling met Hegel vat dus Engels luier de denkbeelden, de begrippen van ons hoofd stoffelijk op als de afbeeldingen van de 'werkelijke dingen, inplaats van de werkelijke dingen als de afbeeldingen te beschouwen van een zekere Ontwdkkeldngsphase van Biet absolute toegrijp.

De consequenties van dit standpunt stelle men zich nu goed voor den geest: voor Engels wordt zijn geheele dialektiek herleid tot de wetenschap der algemeene wetten van de stoffel ij ke beweging, zoowel voor de uitwendige wereld als voor de inwendige van het menschel ij k denken.

Men vergelijke hierbij Engels' „Anti-Dühring", waar geschreven is, dat de wetten der uitwendige, stoffelijke wereld en de wetten, (die het 'lichamelijk en geestelijk leven rvan den mensch beheerschen, „zwei Klassen von Gesetzen sind, die wir höehstens dn der Voratellung, nicht aber dn der Wirkliohkeit von einander trennen können." (blz. 112).

Dit is de leer van de eenheid Ivan denken en z ij n, van subject e n object: alleen de natuurwetten zijn het wezenlijke, zij zija.

149

Sluiten