Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs kan het gebeuren, dat in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschen, zooals deze zich openbaart in den politieken strijd der onderdrukte tegen de overheerschende klasse, „das Bewusztsein des Zusammenhangs dieses politischen Kampfes mit seiner ökonomischen Unterlage dumpfer wird und ganz verloren kann g e h e n. Wo dies auch nicht bei den Betheiligten vollstandig der Fall ist, geschieht es fast immer bei den Geschiehtschreibern. Von den alten Quellen über die Kampfe innerhalb der romischen Republik sagt uns nur Appian klar und deuflich um was es sich schüeszhch handelte — namlich um das Grundeïgenthum." *)

De ten slotte zich doorzettende eenheid van materieele en ideëele processen bestaat dus, zij het dat die eenheid min of meer vertroebeld kan zijn, min of meer onder den invloed van verschillende tusschen beide komende omstandigheden op den achtergrond geschoven: de basis echter, waarop de levensleer van Marx en Engels is opgetrokken, — en dit hebben Bernmein en Woltmann niet tot zijn uiterste consequenties doordacht —, is zuiver materieel, en op die basis kunnen ideologieën hun invloed uitoefenen en hun werkingsfeer doen gevoelen, maar op de punt van de naald hezien, overheerscht de beteekenis der sociale materie, die alleen en uitjsluitend de richtlijn aangeeft, overeenkomstig welke het geheele maatschappelijk leven zich ontwikkelt. Op het beslissende moment breekt ten slotte de materieele functie als de eenige, ware allesomvattende realiteit zoowel op individueel als op sociaal gebied door: de idee en haar werkingsfeer mogen in het voorstellingsvermogen der menschen geworden zün tot zelfstandige machten, voor den gang der werkebjkheid moeten zü zwichten, hebben zu geen beshssenden, hoogstens een bükömstigen invloed. 2)

Marx, in Het Kapitaal, Eerste Boek, schrijft dn een noot bij het hoofdstuk Het afgodskarakter van de waar en «ijn geheim», dat „er slechts weinig bekendheid niet de geschiedenis der Eomeinsche Republiek toe behoort, om te weten, dat de geschiedenis van den grondeigendom hare eigenlijke gesehdedenis vormt."

») In dit verband kan reeds nu geconstateerd worden, dat Bernstein het vraagstuk van de materialistische geschdodenisopvatting m.i. volkomen onauiver stelt, wanneer hij eahrijit, dat „het er hier niet om gaat of ideologische factoren erkend worden, doch wel i n hoev e r r e aan hen invloed op en beteekenis voor den loop der geschiedenis wordt toegeschreven": Bernstein beweegt zich in zijn „Voranssetzungen", waar hij de g el ijk waa r di gh ei d aanvaardt van ideëele en materieele factoren, binnen de levensleer van het

160

Sluiten