Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welke is nu de onderlinge verhouding, waarin op een zeker moment van ontwikkeling de eenheid van zijn en denken, van object en subject tot uiting komt, en practisch zich in de wereld der verschijnselen openbaart, en hoe hebben wij ons de inwendige functionneering van wat voor Marx en Engels de eenige, alomvattende realiteit op het gebied van het sociale leven is, te denken? Is met name het instituut van de „wederkeerige werking", waarop Engels in zijn latere geschriften de aandacht nader vestigt, door Marx verwaarloosd, of over het hoofd gezien?

De theorie van het spiegelbeeld, het is reeds vroeger opgemerkt,, heeft alleen waarde als middel, als vorm, waarin getracht wordt het nadenken over ons kennen aanschouwelijk voor te stellen: over dezen „vorm" van ons kennen, gelijk over de andere beelden en vergelijkingen, waarvan Marx zich bedient, laat hij zich niet nader uit, waarschinhjk ook, omdat hij het gevaar beseft van het gebruiken van metaforen en analogieën, ontleend aan de ruimtehjke natuur of aan het gewone leven, in elk geval de secundaire beteekenis daarvan doorvoelt. De meer principieele reden zal echter wel deze zijn, dat, op het voetspoor van Hegel, ook in Marx' wijsbegeerte Kant's onderscheiding van vorm en inhoud in het denken uit den aard der zaak is buitengesloten: evenmin als er, wanneer de beweging van het denken ident is met die van het zijn,, een aan het denken vreemde, irrationeele gegeven inhoud meer bestaan kan, evenmin kan dit het geval zün, wanneer het uitgangspunt van het gedachtensysteem het omgekeerde is, en de beweging, van het zün samenvalt met die van het denken. De relatie tusschen zün en denken is eenvoudig de relatie van identiteit, zijnsleer en denkleer dekken elkaar, en Marx formuleert dit standpunt door kortweg te constateeren, dat „das Ideelle bei mir nichts andres ist als das im Menschenkopf umgesetzte und übersetzte Materielle": de beeldspraak, waarvan men zich in de philosophie vaak moet bedienen, heeft binnen dit algemeene verband geen andere dan een zeer betrekkelijke beteekenis, en geeft in dit byzondere geval niets meer, maar ook niets minder aan, dan dat de veelheid der factoren ,niets afdoet aan, geen inbreuk maakt op de eenheid van de grondoorzaak.1)

De werking van ideëele factoren wordt door Marx — het blijkt overtuigend uit de hierboven aangehaalde citaten — aanvaard,.

') Zie Pleohanow, Die Grundprobleme des Marxismus, blz. 61.

L62

Sluiten