Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aan hun invloed kent hij een zekere daarvoor vatbare sfeer toe: de vraag van de „Wechselwirkung" moet dus vóór alles zuiver gesteld en scherp omschreven worden, opdat wij hare strekking en beteekenis doorgronden, alvorens wij ons aan een beantwoording wagen. Het punt nu, waarop het principieel aankomt, is dit: erkennen Marx en Engels een wisselwerking tusschen ideëele en materieele factoren op voet van gelijkwaardigheid, zóó, dat nu eens het geestelijke, dan weer het stoffelijke moment den doorslag geeft bij de bepaling van de richting, waarin zich de gang der werkelijkheid beweegt? Hier wringt de schoen, en de fout van hen, die het vraagstuk der wederkeerige werking op den voorgrond geschoven hebben, is deze, dat zij niet hebben onderscheiden tusschen - de onderlinge verhouding van gelijkwaardige en ongelijkwaardige geestelijke en materieele krachten: Marx erkent met name i,een" wederkeerige werking van ideëele en materieele factoren, en dus tevens hunne onderlinge beïnvloeding, maar allerminst erkent hij deze op den voet van gelijkheid. Hu' weet zelfs te spreken van een ontwikkeling der ideologie, en introduceert in zijn beschouwingen de beteekenis van godsdienst, beschaving, wetenschap, kunst, zedelijkheid, waarvan hij constateert, dat zij „door de doldriftige zucht naar zelfvermeerdering van het kapitaal", met de „levensstof" van den arbeider worden verspild,x) maar zeer nadrukkelijk schrijft hij tevens, dat „mit der' Veranderung der ökonomischen Grundlage sich der ganze ungeheure Überbau langsamer oder r a s c h e r umwalszt", waarmede Marx dus een wederkeerige werking aanvaardt tusschen boven- en onderbouw. Hadden Bernstein en Woltmann in Duitschland en Troelstra bij ons, zich beter ingedacht in de verre strekking van dit vraagstuk, en zich helderder overtuigd van de universaliteit van dit uitgangspunt, dan zou hunne interpretatie van de leer van Marx gansch anders zijn uitgevallen, dan nu het geval blijkt te zijn: mij komt het voor dat revisionisten en ook neo-marxisten, binnen de leer van het naturalisme, niet de juiste, consequenties hebben getrokken, en waar zij een zelfstandige, originaire beteekenis aan het geestelijk leven toekennen, in het tegenovergestelde der fout vervallen, die door de „mechanische" marxistische dogmatici gemaakt is.

Marx met name erkent de wederkeerige werking van ideëele factoren, maar in laatste instantie herleidt hij deze op, verklaart hij

*) Het Kapitaal, Eerste Boek, „De strijd om den normalen arbeidsdag", *n „Dag- en Nachtarbeid".

163

Sluiten