Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het komt mij intusschen toch voor, dat Engels de beteekenis der ideëele factoren voor den gang der werkelijkheid duidelijker en scherper had aangegeven, wanneer hij deze geschetst had in hun meest typeerende eigenschap, nl. van afgeleid begrip, van begrip in tweede orde te zijn: inzoover zij dan influenceeren op het verloop der geschiedenis, doen zij dit in positieve, opbouwende richting als reflex van wordende, zich baanbrekende nieuwe productiekrachten, in negatieve, remmende richting als traditie, „voortkomend uit het kwijnend nabloeien van ouderwetsche, afgeleefde productiewijzen met hun nasleep van verouderde, maatschappelijke en politieke omstandigheden."

De qualificatie, die de Sopper zoo scherp en volkomen juist geeft van het geestelijk leven in zijn geheelen omvang als datgene, wat „niet atoom of atoombeweging is, en als zoodanig een vluchtig, onzelfstandig epifenomeen, voor den gang der werkelijkheid van even weinig beteekenijs als voor de beweging der golven de daarmee gepaard gaande phosphorescentie", kwam dan beter tot haar recht: geestelijk leven bij Marx en Engels i s niets anders dan een afdruk van een bepaalden bewegingstoestand van een bepaalde sociale atoomconstellatie, i s niets anders dan een in den mensch tot bewustzijn van zichzelf gekomen worsteling van oude en nieuwe productieverhoudingen.

In het kader van deze voorstelling omschrijft men het vraagstuk van de „wederkeerige werking" van ideëele en materieele factoren dan ook zoo scherp mogelijk door het aldus voor te stellen, dat

dat het met elke ideologie gedaan zou zijn, wanneer zij zich (bewust werd van haar gewaande zelfstandigheid, is intusschen alweer gelogenstraft: juist op grond van den „Chaos der Bmpfinidungen", die voor hem de eenige ware werkelijkheid is, kondigt Vai'hlinger zijn wijsbegeerte aan als ,yhet systeem van de theoretische, practisohe en religieuse ficties der menschheid, en hij tracht dit programma te vervullen door de rol van ficties op alle terreinen: in wiskunde en natuurkunde, in staatkunde en rechtsleven, in de kunst en de practijk van. het dagelijksch leven, in de wijsbegeerte en ten slotte, ja boven alles op het gebied van den godsdienst aan te toonen." Hij bepleit het inzicht in de noodzakelijkheid van dergelijke bewust-valsche onderstellingen, bewuste vervalschingen van de werkelijkheid, in het kort van bewuste ficties als onontbeerlijke grondslagen van ons wetenschappelijk onderzoek, van ons aesthetisch genieten en ons practisch handelen.

Een dergelijke philosophie is voor mij een verklaring van waardeloosheid van het leven.

175

Sluiten