Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den geldingsfactor realiteit toe, en moet hij komen tot de gevolgtrekking, dat het hier juist te doen is om datgene, wat in zün aan de natuurwetenschap georiënteerde levensbeschouwing vermeden werd: waardeering der verschünselen. „Het zoeken naar aanvulling (!) van het historisch materialisme" is voor Troelstra nu noodzakelijk, en bij meent dat dit mogelük is, zoowel van den kant van Dietzgen's philosophie en der Nieuw-Kantianen, als van dien der Christensocialisten: het is jammer, dat Troelstra het tój deze algemeenheid laat, en niet zegt, waarom en waar bij met name bü Dietzgen meent te vinden wat hem, Troelstra, zóó na aan het hart ligt.

Deze geheele ontboezeming van den leider der S. D. A. P. is een verzet tegen het „amoreele" karakter der marxistische levensbeschouwing, waarin — ik citeer de woorden van Krabbe — „voor een eigen subjectiviteit van den mensch, de edgenhjke haardstede van waaruit alleen hoogere ontwikkeling kan komen, geen plaats is. Het individu is werktuig voor bulten hem liggende doeleinden, waarvan de verwezenlijking wel is waar een reflexwerking op' hem kan uitoefenen, maar die noch door hem zün gesteld noch aan hem hunne verwezenlükingswaarde ontleenen." 1)

De Leidsche hoogleeraar bleek scherp gezien te hebben, toen hij schreef, dat „aan deze idee der persoonlükheid — opnieuw gewekt wellicht, zooals weleer, door de vloedgolf van religieus leven, die over ons is gekomen en ons uit de banaliteit van een mozaïekachtig bestaan wil verlossen, onderhouden wellicht door het verlangen naar een wüsgeerigen inhoud van ons leven —, dat aan deze idee op maatschappelijk gebied de toekomst behoort, althans moet behooren". In Troelstra openbaart zich een stijgende behoefte aan een persoonlijk leven, zooals dit tot openbaring komt in het handelen naar zelf gestelde of zelf erkende doeleinden, en dat aan al die historisch materialistische causaJiteit tegemoet komt met zün schat van waarden en normen: tegenover het niet anders kunnen, de £v* yx» der naturalistische levensleer, worde in onverzwakt vertrouwen op onze spontane geesteswerkzaamheid, het behooren geplaatst, en daarmee tevens geappelleerd aan de verantwoordelijkheid in ons bewustzün. In dien roep om versterking der persoonhjkheid, die in de üle lucht der abstracties van Hegei's

*) De idee der persoonlijkheid in de staatsleer, blz. 24.

Vgl. bierbij Marx: „de mensch is van natuur indien al niet, zooals

Aristoteles meent, een politiek, toch ongetwijfeld een maatschappelijk dier". Ie Boek, He Hfdst., Coöperatie.

192

Sluiten