Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „nicht Gott hat den Menschen, sondern immer und allezeit haben die Menschen nach ihrem Vorbilde Götter erschaffen",1) — den religieuzen aanleg der menschen bevredigt, mag inderdaad betwijfeld worden; het voornaamste gebod voor den ehristelijken mensch: „Gij zult God liefhebben boven alles en Uw naasten als Uzelven", beteekent in goed sociaaldemocratisch Duitsch dialekt: „Du solist die materielle Welt, die leibliche Natur oder das sinnliche Dasein lieben und verehren als den Untergrund der Dinge, als das Sein ohne Anfang und Ende, welches war, ist und sein wird von Ewigkeit zu Ewigkeit." 2) „Der Intellekt", „ein gesunder Menschenverstand" begrijpen niets van „die unvermeidliche Metaphysik", en daarom „machen sie aus der Welt keine Hexerei": „die Materie ist uns dié Substanz und der Geist die Akzidenz, die empirische Erscheinung ist uns die Gattung und der Intellekt eine Art oder Form derselben, wahrend alle religiösen und philosophischen Idealisten in der Idee die erste, die ursachüche oder substantielle Kraft erblicken." 3)

Dietzgen's wijsbegeerte ziet de ware werkelijkheid alleen in de stof of kracht, en daarbinnen is geen plaats voor eenige reèele idealiteit: geestelijke functies zijn hem geworden tot mechanismen of biologische levensuitingen van het organisme, zonder eigen waarde, en laten daarom „de meer intieme roerselen der menschenziel" — een voor Dietzgen volkomen onverklaarbaar, of liever onbestaanbaar begrip — onbevredigd. Troelstra's beroep op de wijsbegeerte van den arbeider-philosoof tot aanvulling van het historisch materialisme in dezen religieuzen zin komt mij onverklaarbaar voor. 4)

*) III. Kanzelrede, t.a.p. blz. 115.

2) Sozialdemokratisehe Philosophie, Samtliche Schriften, I, blz. 195. ») T.a.p. blz. 196/197.

4) Toch slaat Troelstra de waarde der ideologie niet hoog aan blijkens zijn hierboven, op blz. 176 weergegeven meening: ook de zucht naar den wereldvrede herleidt hij weer in laatste instantie tot economische verhoudingen.

Aan den anderen kant blijkt de voorman der S.D.A.P. toch wel veel te gevoelen voor ethische momenten in het leven der volkeren; naar aanleiding van de interpellatie-van Kavesteijn, betrekking hebbende op de conferentie van Genua, in de vergadering der Tweede Kamer van 5 April 1922, heeft Troelstra ojm. gezegd, dat „zonder een innerlijke verandering van denken, zonder aangegrepen te zijn door een nieuw élan van ethisch willen, er aan geen opstaan van Europa uit het moeras te denken is. Als socialist ben ik geneigd aan te nemen, dat een zoodanige geestelijke regeneratie in het kapitalisme niet

195

Sluiten