Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

VERBAND VAN MARX' WIJSBEGEERTE MET HEGEL'S ABSOLUUT IDEALISME.

Karakter der Hegelsche wijsbegeerte als absolute philosophie.

Als derde hoofdmoment in de leer van Marx noem ik het nauwe verband met de wijsbegeerte van Hegel, zich openbarende in een volstrekte tegenstelling met diens gedachtenleer; Marx zelf, in de voorrede bij de tweede uitgave van „Het Kapitaal" vestigt hierop uitdrukkelijk de aandacht:

„Mijne dialectische methode is in den grond niet slechts onderscheiden van de Hegeliaansche, maar lijnrecht aan haar tegenovergesteld. Voor Hegel is het Denkproces, hetwelk hij zelfs onder den naam van Idee in een zelfstandig wezen verandert, de schepper van de werkelijkheid, die slechts zijne uitwendige verschü'ning vormt. Bij mij is omgekeerd het ideëele niets anders dan het in het menschelijk brem omgezette en overgeplaatste materieele.

„De mystieke opvatting der Hegeliaansche dialektiek heb ik, voor ongeveer 30 jaar, in een tijd, toen zij nog de mode van den dag was, gekritiseerd. Maar juist in den tijd, toen ik het eerste deel van „Het Kapitaal" bewerkte, had het treurige, aanmatigende en middelmatige epigonendom, hetwelk toen in het beschaafde Duitschland het hoogste woord voerde, er behagen in Hegel te behandelen, zooals de brave Mozes Mendelssöhn in Lessing's tijd Spinoza behandelde, nl. als een „dooden hond".

„Ik beleed daarom openlijk een leerling te zijn van dien grooten denker, en koketteerde zelfs hier en daar in het hoofdstuk over de waardetheorie met de hem bijzonder kenmerkende wijze van uitdrukken." De onderlinge verhouding van beider wereldbeschouwing wordt nu zeer scherp omschreven, waar Marx vervolgt:

„Het mystieke element, dat de dialektiek uit de handen van Hegel ontvangt, belet geenszins, dat hij hare algemeene bewegingsvormen voor het eerst volledig en bewust heeft blootgelegd. Zij staat bij hem op het hoofd. Men moet haar ondersteboven keeren

197

Sluiten