Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekere hoogte gerechtvaardigd achtte, vertrouwen te stellen in de ervaring en deze dus zonder nader onderzoek te aanvaarden.

Het waargenomene en de waarnemer 'werken samen voor het ontstaan onzer kennis, object en subject vormen samen de kennis. Alle bewuste ervaring, de eenige bron van kennis der werkelijkheid, van waarheid, ontstaat, zoo leert Kant, door het in elkaar grijpen van „Sinnlichkeit" en „Verstand", van „stof" en „vorm . De eerste wordt ons opgedrongen door „Afficierung" van het „Ding an sich", hangt af van het object, de tweede is een eigenschap van ons kenvermogen, is een door het kenvermogen meegebrachte eigenaardigheid, en hangt dus af van het subject. „Dinge an sich" kunnen wij niet anders kennen dan door bemiddeling van de denk- en aanschouwingsvormen van den menschelijken geest: zonder deze kan niets in het empirisch bewustzijn opgenomen worden. De taak der wijsbegeerte is in dezen gedachtengang zelfkennis, zelfkritiek van het theoretisch, ethisch en aesthetisch oordeelen. £

De belangstelling in de vraagstukken der „ouderwetsche metaphysica, zooals deze belangstelling zich concentreerde in het zoeken naar eene oplossing van het wereldraadsel, naar het inzicht in het wezen van „het geheel aller duigen," „het zelfstandige, alomvattend zijn", geraakte onder den invloed dezer nieuwe beschouwingen op den achtergrond, en zulks te meer, omdat in Kant's kennistheorie, die grooten invloed ging uitoefenen, gegevens liggen, die moeten leiden tot volstrekte loochening van de mogelijkheid eener apodictische, apriorische kennis van het onafhankelijk en onvoorwaardelijk bestaande. Sommigen gingen echter deze beschouwingswijze op den langen duur aanvoelen als een „degradeer ing" der wetenschap: wanneer de, zij het eenzijdig agnostischpositivistisch geïnterpreteerde Kant ons geen enkel ding doet kennen, zooals het op zichzelf is, alleen zooals het zich aan ons voordoet, en de noumenale, intelligibele wereld, de wereld der Dinge an sich, voor altijd voor ons gesloten is, wordt dan, wanneer wij ons ten aanzien van die wereld moeten behelpen met symbolen, ficties, Werturteile, ideeën, die geen van alle constitutieve beteekenis hebben voor de werkelijkheid, — zoo vroegen zij — het begrip 'kennen geen onding? Wat is een kennen, dat ons niet zou openbaren, hoe de werkelijkheid is, onafhankelijk van onze zinnelijkheid i s.x)

*) Vergl. Ovink, Het kritisch, idealisme, bla. 15.

199

Sluiten