Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, in tegenstelling met de wijsbegeerte van Kant, niets weten wil van alle inleidende overwegingen omtrent aard en grenzen van het kenvermogen, en zich dus niet wil bepalen tot kennis der verschijnselen, der phenomena: de Dinge an sich, het Absolute, moet gekend worden, en dit Absolute 'is geest, 's Menschen Faustische natuur komt in hem met elementair geweld in verzet tegen de opgeslotenheid binnen het betrekkelijke en phaenomenale: in dit opzicht is logica bij hem tevens metaphysica. Kennistheorie moet dan ook plaats maken voor geschiedenis, ontwikkelingsgeschiedenis van het bewustzijn.*)

Het volstrekte, in zichzelf gesloten karakter van Hegel's wijsbegeerte komt nu ook zeer sterk uit in het door hem gevolgde systeem: de logica of redeleer als these vooropstellende, zij geconstateerd, dat deze zelf weer is een drieëenheid van these, antithese en synthese, een cirkel, die tot zijn uitgangspunt terugkeert. Ieder van deze is op hare beurt weer een dergelijke drieëenheid, enz., opgetrokken op den eersten drieslag van de logica, zoodat dé absolute philosophie eigenlijk een cirkel van cirkels is: „das Ganze stellt sich als ein Kreis von Kreisen da". Het begin van alle begrip van het absolute is het z ij n, de meest algemeene en meest leege bepaling, die aan geen ding kan worden ontzegd: „in seiner Inhaltlosigkeit und ünbestimmtheit gedacht, is es das Nichts".

Uitgaande nu van dit meest leege, algemeene, inhoudslooze „zijn", komt in de redeleer het denken door innerlijke noodzakelijkheid, langs den weg van stelling, tegenstelling en vereeniging,

') In dit verband treffend schrijft F. A, Lange, in zijn Geschichte des Materialismus, II, blz. 75:

„Der grosse RUckschritt Hegels, verglichen mit Kant, besteht darin, dass er den Gedanken einer allgemeineren Erkenntnissiweise der Dinge gegenüber der menschlichen ganzlich verlor. Sein gamees System bewegt sich innerhalb unserer Gedanken und Phantasien über die Dinge, denen hochklingende Namen gegeben werden, ohne dass er sur Besinnung darüber kommt, welche Geltung den Erscheinungen und den aus ihnen abgeleiteten Begriffen Überhaupt (zukommen kann. Der Gegensatz zwischen „Wesen" und „Schein" ist foei Hegel nichts weiter als ein Gegensatz zweier menschlicher Auffassungsformen, der sich alsfoald wieder verwischt. Die Erscheinung wird defkirt, als der mit dem Wesen erfüllte Schein; und die Wirklichkeit ist da, wo die Erscheinung ganze und adaquate Manifestation des Wesen» ist." ""'

Men vergelijke hierbij de noot op blz. 93, waar ten aanzien van het materialisme van Marx en Engels een soortgelijke opmerking gemaakt is.

204

Sluiten