Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw Roland Holst en Troelstra zijn bij ons de meest sprekende voorbeelden van een dergelijke innerlijke onvoldaanheid: om aan deze gevoelens van onvrede met zichzelven te öritkomen, construeeren zij zich, over het streng dogmatischmarxisme en het revisionisme heen, een soort neo-marxisme, een wereldbeeld, waarbinnen zij weigeren in de wet der oorzakelijkheid de wet te zien van a 1 het bestaande, en wagen zij een poging om de vrijheid en de persoonlijkheid te handhaven tegenover het maatschappelijk determinisme. Maar juist daarom is hun wijsbegeerte niet meer materialistisch, doch dualistisch getint, en juist daarom is zij in haar eigenlijke wezen en strekking niet meer marxistisch.x)

Methode, inhoud en trant van redeneeren, gelijk mede de groepeering der gedachtenconstructies, zijn door Marx geheel en al aan Hegel ontleend, terwijl sommige hoofddenkbeelden van zijn

i) Ook Kuyper in zijn rede „Van burgerlijke staathuishoudkunde tot proletarische maatschappijleer", al Tekent hij zich onder „wij, marxisten", blijkt bij nadere beschouwing inderdaad geen marxist te zijn: op blz. 26 spreekt hij van „de economische gedeterinineerdheid van alle ideologieën", maar op blz. 4 stelt hij op den voorgrond „de vorming en omvorming van den ideologischen bovenbouw in een grootendeels onderbewust proces, waarbij niet het denken imaar het voelen domineert" (spatieering van mij).

Deze rede, vooral in haar begin, maakt sterk den indruk dat hij, die haar uitsprak, op twee gedachten hinkt: eenerzijds aanvaardt hij den grondslag der marxistische staathuishoudkunde, maar anderzijds erkent hij toch het «»Mstandige geestesleven van den mensch.

Op Iblz. 3 houdt Kuyper weer rekening met ,4e zoo belangrijke individueele aanleg- en ontwikkelingsverschillen", terwijl op blz. 25 de klemtoon gelegd wordt op „de beteekenis van het primair economische belang": een „aanleg"versohil kan men toch moeilijk zuiver economisch verklaren.

In Marx' arbeid zijn er echter aanwijzingen, dat hij een aeer groeten, zoo al niet beslissenden invloed toekent aan de economische omgeving op den aanleg: in het 12de Hoofdstuk, Verdeeling van Arbeid en Manufactuur, le Boek van het Kapitaal, lezen wij:

„Het is alleen de van geslacht op geslacht opgehoopte en door den zoon van den vader geërfde bijzondere vaardigheid, welke den Hindoe, evenals aan de spin, die bekwaamheid (in het weven) geeft" Hier blijft echter altijd ruimte voor de vraag, waarom juist ibij dit geslacht deze bijzondere aanleg in den beginne ontwikkeld is.

In het 21ste Hoofdstuk, „Enkelvoudige reprodnktie", van hetzelfde boek staat «reschreven: „De reproductie van de arbeidersklasse sluit tegelijkertijd toeneming van de bekwaamheid in, door het eene geslacht op het andere overgebracht."

215

Sluiten