Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals bijv. warmte, geluid en licht als bijzondere verschhningsvormen gelden van een algemeene beweging der materie, zoo is „evenzeer de in ieder bijzonder warenequivalent vervatte bepaalde, concrete nuttige, arbeidssoort slechts een bijzondere, derhalve niet volledige versclnjningsvorm van menschelijken arbeid. Deze bezit zijn volledigen verschijningsvorm in het geheel van die bijzondere verschijningsvormen", juist zooals de algemeene beweging der materie natuurwetenschappelijk haar geheelen verschüningsvorm vindt in de totaliteit der natuurverschijnselen.

Het eigenlijke wezen, de werkelijke ondergrond van een economisch verschijnsel, moet dus van den vorm, waarin het zich openbaart, scherp onderscheiden worden, en mag met dien vorm allerminst worden vereenzelvigd: doet men dit en ziet men de uiterlijke openbaring voor de werkelijkheid aan, dan loopt men gevaar uit den bijzonderen verscbijnbigsvorm te komen tot gevolgtrekkingen, die in het kader van het geheel niet passen. Bedenkt men nu ten slotte, dat voor Marx de materie is de eenige, alomvattende realiteit, dan zün de „materieele" hoofdpunten uitgezet, waarnaar wij ons moeten richten om een volledig inzicht te krijgen in de beteekenis en strekking der marxistische „trias economica."

Bovendien, om de „ideëele" constructie van Marx' betoog nog scherper te doorgronden, is het wenschehjk ons ba de methode en de woordenkeuze van Hegel in te denken, zooals die met name gebruikt worden om bijv. de verhouding aan te geven, die bestaat tusschen de logica of redeleer als these en de natuur als antithese: zóó als het anderszü'n van de idee is de natuur, en dus die idee zich openbaart, „sich entauszert" in de natuur, daarin als het ware buiten zich. zelf treedt, zóó hebben wij op economisch gebied te onderscheiden tusschen de alomvattende realiteit, di. volgens Marx de totaliteit der productiekrachten en der productieverhoudingen, en haar verscbh'ningsvorm, de organisatie der gemeenschap, zooals deze in haar eenig mogehjken openbaringsvorm, nl. den warenvorm van de waar, ons zichtbaar voor oogen wordt gesteld.

Vandaar dan ook dat bü Marx, gehjk by' Hegel, de altijd min of meer toevallige verschüningsvorm niet steeds in alle opzichten en overal overeenkomt met den werkehjken inhoud, waarvan die verschijningsvorm een openbaring is: zooals Hegel klaagt over de weerbarstigheid der natuurlijke dingen tegenover de rede, en met name het toevallige, het individueele, feitehjke, „Einmahlige",

248

Sluiten