Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

productiekrachten, en de op dezen gebaseerde, of scherper gezegd daarmede vereenzelvigde productieverhoudingen.1)

In dit fundamenteele punt openbaart zich reeds onmiddellijk en consequent Marx' naturalistisch rationalisme, met zijn verabsoluteering der natuurwetenschap tot levensphilosophie: gelijk het menschehjk intellect, — hier vereenzelvigd met de menschelijke natuur, — in de natuurverschijnselen onderscheidt tusschen den uiterlüken verschijningsvorm van een mechanisch, physisch, chemisch of biologisch proces en dit proces in zijn wezenlijke, algemeene werkelijke beteekenis zelf, zoo heeft de economist op dezelfde wijze te onderscheiden tusschen uiterhjken vorm en verborgen inhoud, en de bijzondere gedaante, waarin de werkelijkheid ten deze optreedt, niet te vereenzelvigen met die werkelijkheid zelve.

Beziet men nu onder het licht van deze mleidende overweging de analyse van de waar, dan treft het dadelijk, dat Marx afziet van de gebruikswaarde der warenlichamen, om aldus een eigenschap van die lichamen over te houden, die aan hen alle gemeen is, en die het nu mogelijk maakt — aangezien alleen gelijksoortige grootheden met elkaar vergeleken kunnen worden — de goederen in onderling verband op een basis van gelijkheid tegenover elkaar te stellen: die grondslag der gelijk- en gelijksoortigheid is het „zijn van arbeidsproduct", en „bevat niet meer natuurstof, dan bijvoorbeeld de wisselkoers".

Hier leunt Marx rechtstreeks aan aan de wijsbegeerte van Hegel, uit wiens begripsconstructie hij zün gedachtengang direct heeft afgeleid: zóó als voor Hegel het „zün", het meest leege, algemeene, onbepaalde bepaalbare „zyn" de eigenschap is, welke in de algemeens wüsbegeerte aan geen enkel voorwerp kan worden ontzegd,

1) Wanneer Treuib in de Inleiding van zijn „Het wijsgeenig-economisch stelsel van Karl Marx" schrijft, dat „tusschen het natuurwetenschappelijk materialisme en het sociale materialisme van Marx wel verband bestaat, maar dat men ze ariet met elkaar mag verwarren", is het vraagstuk door hem onzuiver gesteld: het sociale materialisme is een bijzondere openbaringsvorm van het eenige mogelijke, alles omvattende materialisme, nl. het materialisme tout. court.

Er zijn verschillende openbaringsvormen van dit materialisme, maar in hun eigenlijke fundeering, in het diepste wezen van de zaak zijn deze alle één: vandaar dat met name het ontwikkelingselement onder den naam van „leven"' in deze philosophieën geïntroduceerd is door de aan de biologie, dus ook weer aan de matuurwetenschap, zich oriënteerende wereldbeschouwing.

Vergl. hierbij Stammler, Wirtschaft und Recht, blz. 23 v.v.: Sozialer Materialismus.

252

Sluiten