Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijken arbeid in het algemeen, constateert Marx, dat „de verdere gang van het onderzoek ons terug zal voeren tot de ruilwaarde als de eenig mogelijke uitdrukking of versclujningsvórm der waarde, die evenwel in de eerste plaats onafhankelijk van dezen vorm beschouwd moet worden".

Het „zijn van arbeidsproduct" heeft nu, naar Marx' opvatting, deze zuiver materieele beteekenis, dat arbeidskracht via het arbeidsmiddel als geleider van menschelijke werkzaamheid, is vastgelegd in het arbeidsproduct, dat gedurende het arbeidsproces de arbeid voortdurend uit den vorm van beweging overgaat in dien van rust, in dien van belichaming, dat de grondstof alleen en uitsluitend is opvanger van een bepaalde hoeveelheid arbeid, dat m.a.w. de arbeider, beschouwd als verpersoonbjking van arbeidskracht, overgeheveld is in het arbeidsproduct: het is de Hegelsche abstractie van het zijn, doordacht in haar bijzonderen eeonomischen vorm, en waarbij de Hegeliaansche zelfbeweging van het begrip, onder bestendige verwisseling van den geld- en warenvorm, tot openbaring komt in de zelfbevruchting van de waarde.

Hit te doorzien beteekent te begrijpen, waarom de waar een zeer doortrapt ding is, vol lsovennatuurlijke spitsvondigheden en theologische streken: het geheimzinnige karakter van de waar is daarom zoo geheimzinnig, omdat zij, in hare materieele gedaante, maar daarvan toch tevens afgezien, de belichaming, de verstoffelijking, de uitwendige verschijningsvorm is van een in zeer bijzonderen, Hegeliaanschen zin doordachte verabsoluteering der natuurwetenschap tot levensphilosophie.x)

1) M*n (vergelijke hierbij de inleiding van het hoofdstuk „Het afgodskarakter van de waar en zijn geheim":

„Zooverre de -waar gebruikslichaam is, is er niets geheimzinnigs aan, hetzij ik 'haar beschouw vanuit het oogpunt door hare eigenschappen menschelijke behoeften te kunnen bevredigen, dan wel doordat zij deze eigenschappen eerst als produet van menschelijken arbeid verkrijgt. Het is duidelijk, dat de mensch door zijn bemoeiing de vormen van de natuurstof wijzigt op een voor hem nuttige manier. De vorm van het hout wordt bijv. veranderd, wanneer men er een tafel van maakt. Niettemin blijft de tafel van hout, een gewoon zinnelijk waarneembaar voorwerp. Maar zoodra zij als waar optreedt, verandert zij zich in een zinnelijk boven-zinnelijk voorwerp. Zij staat niet alleen met hare pooten op den grond, maar zij gaat ten aanzien van alle andere waren op het hoofd staan, en er beginnen in haar houten hersenen grillen te leven, veel verwonderlijker dan wanneer zij uit eigen beweging begon te dansen."

Deze voorstelling wordt duidelijk in het kader van den hierboven uiteengezetten gedachtengang.

254

Sluiten