Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De warenidee is daarom het begin, het een en al, het einde tevens der marxistische maatschappijleer: zij is het zich ontwikkelende absolute, het ware, werkelijke zelf, en dit is de realiteit der productie- en raüverhoudingen, binnen wier kader de mensch is warenhoeder, doorgangspunt van economische materieele krachten. Zij is de sleutel op „Het Kapitaal": voor haar valt Marx' levensarbeid zoowel in zijn algemeene hoofdtrekken als in elk van zijn zeer bijzondere onderdeelen — met uitzondering van het duistere element in zijn beschouwingen over den waardevorm — onvoorwaardelijk en geheel uiteen, onverschillig welk leerstuk van dezen arbeid men ook onder handen neemt en waar men dien sleutel ook aanbrengt.*)

Het loont de moeite in dit, door Marx zelf telkens vooropgezet

i) Onbebouwde grond heeft dus geen waande, omdat hij alleen voldoet aan den algemeen wijsgeerigen eisch te „zijn", niet aan den bijzonderen eeonomischen eisch „arbeidsproduct te 'zijn": om te verklaren, waarom deze grond toch éen prijs 'heeft, constateert Marx nu, dat „de iprijsvorm niet slechts de mogelijkheid toelaat van een .kwantitatieve ongelijkheid tusschen waardegrootte en prijs, d.w.z. tusschen waardegrootte en haar eigen gelduitdrukking, maar een kwalitatieve tegenspraak kan inhouden, zoodat de prijs geheel ophoudt waardeuitdrukking te zijn, hoewel geld alleen de waardevorm der waren is".

Om dezen passus te begrijpen, bedenke men vooreerst, dat een kwalitatieve tegenspraak in Hegeliaanschen zin eigenlijk niets anders is dan een in bijzonderen vorm doordachte, „omgeslagen" quantitatieve tegenspraak; in de tweede plaats hebben wij hier im.i. een voorbeeld van de weerbarstigheid der economische feiten tegenover de waardeleer. Wanneer „de prijs de gelduaam is van den in de waar belichaamden arbeid", is het mij onbegrijpelijk hoe „een ding feitelijk een prijs kan hebben zonder waarde te bezitten": gelijk er voor Hegel in het gebied der natuur overal een zich aan het begrijpen onttrekkende rest is, is er voor Marx een dergelijke onverklaarbare rest op economisch terrein.

Het •toevallige en onredelijke heeft voor Hegel, die voor dezelfde moeilijkheid staat, geen werkelijkheid, enkel „faule Existenz": als waardeloos „vorübergehendes Dasein", is het slechts Trug, Schein, Unwahrheit, het Nichtige, dat eenvoudig niet meetelt, „die den wahren Kern „ „umziehende" " Kinde".

Volkomen denzelfden gedachtengang constateeren wij bij Marx, wanneer 'hij schrijft, dat „endlich kann kein Ding Wert sein, ohne Gebrauchsgegenstand zu sein. Ist es nutzlos, so ist auch die in ihm enthaltene Arbeit nutzlos, z a h 11 nicht als Arbeit und bildet daher keinen Wert".

Inderdaad kunnen wij hier constateeren, dat Marx en Hegel, door tant soit peu het 'bestaan van het onredelijke en toevallige toe te geven, een onherstelbare bres schieten in hun systeem.

255

Sluiten