Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dus ook de maatschappelijke verhouding der producenten tot den geheelen arbeid voorstelt als een buiten hen bestaande maatschappelijke betrekkmg tusschen de voorwerpen".. „Het is enkel de bepaalde maatschappelijke verhouding van de menschen zelf, welke hier voor hen den fantastischen vorm van een verhouding tusschen zaken aanneemt".

In dit verband moeten wij den nadruk leggen op het feit, dat alle arbeid twee maatschappelijke functies heeft: „aan den eenen kant is de arbeid verbruik van menschehjke arbeidskracht in physiologischen zin, en in deze hoedanigheid van gelijken menschelijken of abstract menschelijken arbeid vormt hij de warenwaarde; aan den anderen kant is hij verbruik van menschelijke arbeidskracht in bepaalden doeltreffenden vorm en in deze hoedanigheid van concreten, nuttigen arbeid produceert bij gebruikshchamen". Het afgodskarakter van de warenwereld ontstaat nu uit het bijzondere maatschappelijk karakter van den arbeid, die waren voortbrengt: in Hegeliaanschen zin ons uitdrukkende, kunnen wij dus zeggen, dat het „zün van arbeidsproduct" de wüsgeerige fundeering der warenwereld is, en dat de waardevorm van de waar als de openbaring van den warenvorm van het arbeidsproduct de absolute, alles omvattende maatschappelijke realiteit is.*)

Wanneer nu de menschen hunne arbeidsproducten als waardemassa's in onderling verband brengen, doen zij dit niet omdat zü daarin zien voorwerpen, waarin, als in zuiver stoffelijke omhulsels, belichaamd is gebjksoortige arbeid, maar omgekeerd, ter-

i) Vergelijk hierbij de uiteenzetting over Marx' arbeidsopvattdng, hierboven op blz. 105 v-v. gegeven; „de aigemeene verschijningsvorm van menschelijken arbeid", het „zijn van arbeidsproduct" als 'het waardevonmende gehalte van den arbeid opgevat, is de meest volstrekte werkelijkheid in en de eerste drieslag van de marxistische logica, en heeft dezelfde beteekenis en waarde als het qualiteitslooze, onbepaalde „zijn" bij Hegel.

De „Sohwerverstandlichkeit" van zijn waardeleer, waarover Marx zelf klaagt, en doe op blz. 121 v.v. hierboven nader besproken is, zal aldus nog beter worden ingezien: toch was het eerst nu mogelijk het begrip „zijn van arbeidsproduct" toe te lichten, omdat bet „zijn" van Hegel in zijn algemeene beteekenis eerst in het derde hoofdstuk kon worden besproken. Marx aanvaardt het echter als uitgangspunt van zijn waardetheorie.

Inderdaad: het behoort tot het karakter van de absolute philosophie, dat het begin niet te begrijpen is zonder het einde, terwijl men toch niet aan het einde kan komen zonder het begin doorgemaakt te hebben; ook dat begrijpt men eerst aan het einde.

260

Sluiten