Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verband, hetwelk bestaat tusschen een bepaald natuurverschijnsel en de totaliteit der natuurverschijnselen, de geheele natuur dus, voor Marx ook bestaat op het gebied der maatschappelijke veav schijnselen: de enkele waar geldt in het algemeen dan ook slechts als de gemiddelde van haar soort, is daarvan slechts een quantitatief onderdeel, en „de geheele arbeidskracht der maatschappij is vervat in het geheel der waarde van de waren, welke die maatschappij voortbrengt, geldt dus slechts als een onderscheidslooze massa van menschelijke arbeidskracht, hoewel zij uit tallooze individueele arbeidskrachten bestaat". Het onderscheid tusschen de maatschappelijke verschijnselen beweegt zich alleen in de sfeer van het quantitatieve,x) en gelijk de natuurwetenschap als materiaai van haar onderzoek slechts de quantitatieve zijde van de werkelijkheid toelaat en van al het andere zoover maar immer mogelijk, methodisch afziet, zoo abstraheert ook Marx bij de constructie van zijn arbeids- en warenidee van alles, wat niet herleidbaar is tot materieele processen. Alle waardebeoordeelmg sluit Marx, gelijk de beoefenaar der natuurwetenschap, bij zijn onderzoek principieel uit, en zoo is voor hem „ein komphzierter Arbeitstag zum Beispiel gleich drei einfachen Arbeitstagen".

De natuurphilosoof beoogt de materieele werkelijkheid met mathematische zekerheid en nauwkeurigheid te beheerschen, en dit is, wanneer hij uitsluitend op zün gebied zich blüft bewegen, mogelijk, omdat de werkelijkheid, die bh' tracht te verklaren, slechts quantitatief is. De abstractie nu, door de natuurwetenschap gemaakt met het oog op het bereiken van haar bepaald kendoel, ziet Marx aan voor de volle maatschappelijke werkelykheid, en zoo komt mj er toe de volle maatschappelijke werkelijkheid ook als alleen zuiver quantitatief te beschouwen, het kendoel van ééne wetenschap, nl. de natuurwetenschap te veralgemeenen tot het kendoel van alle wetenschap, en haar methode te verabsoluteeren tot de eenige, universeele methode: dat bij aldus te kort schiet in het verklaren der concrete werkelykheid, is duidehjk voor hem die beseft, dat de natuurwetenschappehjke wereldbeschouwing slechts het quantitatieve beheerscht en de concrete werkelükheid nooit zuiver quantitatief is.

Het onverbrekelijke verband tusschen Marx' en Hegel's arbeid moge juist uit deze waardetheorie, fundament in den meest volstrekten zin des woords van „Het Kapitaal", een keer te meer

*) In dit verband spreekt Marx zelfs van de „maatscnappelijke natuurverschijnselen".

263

Sluiten