Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk gesteld en dientengevolge feitelijk in waren veranderd worden.x)

De geldvorm wordt aldus de wijze, waarop ieder warenlichaam in het ruilproces optreedt als de verschijningsvorm van zijn eigen waarde: daarom noemt Marx den geldvorm de voltooide gedaante van den waardevorm. Deze algemeene of maatschappelijke equivalentvorm ontstaat en vergaat met het tijdelijke maatschappelijke verkeer, dat hem in het leven roept, en hecht zich bijv. bij de zwervende volken aan het vee, maar gaat langzamerhand over op waren, die van nature tot de maatschappelijke verrichting van een algemeen equivalent geschikt zijn, de edele metalen. Aldus gaat geld, in zijn meest typischen openbaringsvorm, goud en zilver, dienen als verschijningsvorm van de warenwaarde, of als de stof, waarin de waardehoeveelheden van de waren maatschappelijk worden uitgedrukt.

Men heeft dus te onderscheiden tusschen goud als gebruiksgoed en goud als geldwaar: „de gebruiksnuttigheid van de geldwaar wordt verdubbeld. Behalve hare bijzondere nuttigheid als waar, zooals bijv. goud tot het vullen van tanden, of als grondstof voor weeldeartikelen, krijgt zij een formeele nuttigheid, voortgekomen uit hare bijzondere maatschappelijke verrichtingen".

Zoo wordt de geldvorm niets anders dan de aan één waar vastgehechte weerslag van de verhouding tusschen alle waren onderling, maar men bedenke, dat het ruilproces aan de waar, welke het in geld verandert, niet hare waarde, maar alleen haar bepaalden waardevorm geeft: immers, zooals iedere waar kan het geld zijn eigen waardegrootte slechts relatief in andere waren uitdrukken, maar zijn eigen waardegrootte is, overeenkomstig den algemeenen regel, bepaald door den voor zijn productie noodigen arbeidstijd, en wordt gelijkgesteld aan, uitgedrukt in de hoeveelheid van iedere andere waar, waarin evenveel arbeidstijd belichaamd is.

Geld is dus een waar, de geldfunctie alzoo een bijzondere functie, aan een bepaalde waar gegeven, maar in welke functie die waar, met name goud en zilver, tevens opgaat: 2) „zonder haar toedoen

*) In deze voorstelling, ontleend aan het hoofdstuk „Het ruilproces", heeft men weer een bewijs van de absolute realiteit van Marx' maatschappijleer te zien.

2) In het hoofdstuk over het geld of de warencirculatie, wordt dan ook gesproken van het „goud, zilver, koper voor hunne geldwording"; goud wordt de specifieke equivalent-waar, geld, door te functionneeren als algemeene maat-

273

Sluiten