Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gevolgtrekking gewettigd, dat Marx' geldwaardetheorie tot in het onherkenbare toe door Kuyper is „aangevuld": bovendien spreekt het van zelf, dat, althans op den langen duur, „de productiekosten hoogstens aan de zijde van het aanbod hun invloed kunnen doen gelden." *)

De marxistische, economisch-wüsgeerige opvatting, dat „die Arbeitszeit wird als wahre Maszeinheit des Geldes behauptet", 2) verwerpt Kuyper dus vrijwel absoluut: een andere gevolgtrekking is ook niet mogelijk, waar hij Marx' waardeleer „onjuist"'noemt en meent, dat „de analyse volgens de grenswaardeleer bewijst, dat in het algemeen de behoeften en voorraadsverhoudingen de ruilwaarde bepalen, zonder dat één eigenschap der goederen alleen de bepalende factor voor de ruilwaarde is". 3) Ter verklaring van het wezen van het geld neme Kuyper zijn toevlucht tot de „burgerlijke" metallistische theorie dan wel tot de „staatliche" of de rechtstheorie van het geld, maar de arbeidswaardetheorie van Marx kan hem niet voldoen. 4)

*) Blz. 175.

s) Zur Kritik, blz. 69.

3) Marxistische beschouwingen, I, blz. 192.

*) Mede in verband hiermede is het jammer, dat Dr. Fryda, in zijn „De theorie van het geld en het Nederlandscbe geldwezen", de vraag besprekende wat de geld- of waarde-eenheid in haar wezen is, wanneer noch het metallisme, noch het nominalisme ons kan bevredigen (blz. 67 en 71), de marxistische theorie niet binnen de grenzen van zijn onderzoek getrokken heeft. De opvatting, dat het goudgeld een geldsoort is, die van de andere geldsoorten slechts verschilt in de stof, waaruit zij bestaat, is bij Marx reeds duidelijk te constateeren.

De richting, die in den laatsten tijd zoowel in Duitschland als bij ons wordt ingeslagen ter verklaring van de beteekenis van het geld in onze maatschappij, is in haar algemeene strekking een bewijs voor de juistheid der door mij, hierboven op blz. 14 v.v. gelanceerde stelling, dat de staathuishoudkunde, als onderdeel der sociale wetenschap, in de eerste plaats een wijsgeerige wetenschap is.

Immers: volgens Knapp in zijn „Die staatliche Theorie des Geldes" is er van geld sprake, indien de rechtsorde proclameert, dat een stuk, dat er zoo en zoo uitziet, zooveel waarde-eenheden gelden zal; in dit geval wordt de gelding veelal weergegeven op de oorkonde (charta), en is het geld mitsdien een „chartaal betaalmiddel", onverschillig of die charta van metaal of papier is.

Het geldsysteem in een land berust nu op een complex, van overheidswege gegeven voorschriften, zoodat het er voor de theorie van het geld slechts op aankomt, dat de staatsmacht op een of andere wijze deze voorschriften aan

276

Sluiten