Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Das Geld ist keine Sache, sondern ein gesellschaftliches Verhaltnis; wie der individuelle Austausch, entspricht es einer bestimmten Produktionswèise": aldus m.i. volkomen juist Mehring, waar hij, in een hoofdstuk „Der historische Materialismus", de beteekenis van het marxisme schetst.1) Kuyper's tweeslachtige gedachtenconstructie past niet in het streng afgeleide, logisch doordachte, van uit één gezichtspunt geconstrueerde betoog van zijn meester: elke aanvulling daarvan breekt met geest en strekking van „Het Kapitaal".

den dag brengt, en tevens dat dit geld door den staat in zijn kas wordt aangenomen. (Vgl. uitvoeriger Fryda, t.a.p., blz. 32 v.v.).

De rechtstheorie van het geld constateert, dat, opdat een bepaalde zaak als geld kan fungeeren, de naleving eener bepaalde norm moet worden in acht genomen, en daarom — aldus Fryda op blz. 52 — „accepteeren wij onze guldens en rijksdaalders, niet wijl de staat ze ons „opdringt", doch omdat zij het stempel dragen van den Nederlandschen Rechtsstaat".

Wat er nu van deze denkbeelden ook zijn moge, in wezen wordt de theorie van het geld teruggebracht tot een staatsvraag dan wel tot een rechtsvraag: de alles beheerschende quaestie wordt hier alzoo het inzicht, dat men heeft in de organisatie der gemeenschap als machts- dan wel als rechtsinstituut.

Dat deze kritiek juist is, blijkt al dadelijk hieruit, dat Fryda, die een voorstander is der rechtstheorie, Knapp's „staatliche" theorie in de voornaamste plaats bestrijdt met een beroep op de overschatting van de macht van den staat, de geldvraag dus terugbrengt tot een vraag naar feitelijke machtsverhoudingen, het dan ook noemt „een miskenning van het wezen van staat, gemeenschap en recht, aan te nemen, dat de enkele wil van den staat bij machte zou wezen der gemeenschap een geldsoort tegen haar zin op te dringen." (blz. 40)

Inmiddels is Fryda's rechtstheorie zelve, „in wier licht het te verklaren is, waarom Duitschland reeds van stonde aan met groote financieele offers zich een „finanzielle Kriegsbereitschaft" vormt, om, mocht het onverhoopt zoover komen, niet in de noodzakelijkheid te zijn een politiek te voeren, die een onrechtmatige benadeeling der gemeenschap ten gevolge zou kunnen hebben" (blz. 51), met name in Duitschland zelf door de feiten achterhaald.

Inderdaad is zoowel de „staatliche" als de rechtstheorie van het geld in wezen een algemeen staatsrechtelijke, en dus een wijsgeerige theorie.

*) Vgl. zijn boek „Karl Marx, Geschichte seines Lebens", blz. 129.

In verband met de door hem geconstateerde begripsverwarring van het mercantiele stelsel, schrijft Marx zelf: „Men zag aan het goud en zilver niet, dat zij, als geld, een maatschappelijke productieverhouding voorstelden, maar men bespeurde in hen stoffelijke voorwerpen met zonderlinge maatschappelijke eigenaardigheden."

277

Sluiten