Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hunne synthese vinden deze beide begrippen in de ruilwaarde, waarin zij tot speculatieve vereeniging komen: „de verdere gang van het onderzoek, aldus Marx, zal ons terugvoeren tot de rmlwaarde als de eenig mogelijke uitdrukking of verschijningsvorm der waarde, — d.i. dus principieel het „zijn van arbeidsproduct —, maar die evenwel in de eerste plaats onafhankelijk van dezen ' vorm moet worden beschouwd." Bij de analyse van het begrip ruilwaarde" treffen wij dus deze beide momenten inderdaad daarin aan; de stuwkracht, die voor dezen omslag volgens Hegel ligt in de zelfontwikkeling van het begrip, is voor Marx m de zelfbeweging der materie gelegen, die hij later omschrijft als de zelfbevruchting der waarde. x)

Deze drieslag eenmaal voorop gesteld en deze doordenking der werkelijkheid als juist en waar aanvaard, volgt daaruit vanzelf Marx' geheele ideeënwereld: gelijk „de eenvoudige warenvorm de kiem van den geldvorm is", „de goudmaterie slechts als verstoffelijking van de waarde als geld fungeert", „het geld ten slotte eindproduct der warencirculatie is", zoo wordt, in een hooger verband bezien, op zijn beurt „dit geld, eindproduct van de circulatie, de eerste bestaansvorm van het k a p i t a a 1". Zoo als Hegel in zijn wijsbegeerte een geheel systeem van begrippen heeft opgebouwd, zoo doet Marx volkomen hetzelfde op het gebied der staathuishoudkunde en vandaar op het geheele gebied van ons weten, kennen en kunnen: beider systeem is in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel, ~S5^|bsoluut idealistisch, dan wel absoluut materialistisch, en waartomen begrippen van hoogere orde deductief worden afgeleid uit het primaire fundament, het „zijn" dan wel het „zijn van arbeidsproduct", waarin de volheid der wereld — d. i. voor Marx de economische wereld — tot het uiterste is ontledigd.

Beginnende met de ruilwaarde, deduceert Marx daaruit, in Hegeliaanschen zin scherp en logisch redeneerende, daaruit eerst zijn geldtheorie, vervolgens zijn kapitaaltheorie: in wezen is de geldtheorie niets anders dan een constructie van de eenvoudige waardetheorie in een hoogeren graad, en is op haar beurt de

i) Men denke er wel aan, dat Marx, evenmin als Hegel, dezen ommeslag v e r1c la art: hij constateert slechts. >

Al kunnen wij dus de beide samenstellende momenten in Hegel's en Marx drieslag aantreffen, zoo worden wij echter in het minst niet ingelicht krachtens welke eigenaardigheid der werkelijkheid zij «ich, zoo met elkaar verbonden, voordoen.

279

Sluiten