Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marx' kritiek op Smith's kapitaalopvattihg beweegt zich dan ook consequent in deze lijn: ba het tweede boek van „Het Kapitaal", schoon voor dit, gelijk voor elk ander begrip, de hoofdlijnen reeds zijn aangegeven in het eerste boek „Het productieproces van het kapitaal", komt Marx op vorm en inhoud van het kapitaalbegrip terug. In het tiende hoofdstuk „Theorien über fixes und cirkulierendes Kapital", zoo lezen wij.

„A. Smith deelt ons mede, waaruit het vlottend en het vast kapitaal bestaat. Hij somt de dingen, de stoffelijke voorwerpen op, welke het vast, en die welke het vlottend kapitaal vormen, alsof deze bestemming aan die dingen materieel, "krachtens hun natuur toekomt, en niet veeleer ontspruit uit de bepaalde functie, die zij te vervullen hebben in het gehéél van het kapitalistische proces. En toch maakt Smith ba hetzelfde hoofdstuk (Book II, Ghap. I) de opmerking, dat, ofschoon een bepaald voorwerp, als bijv. een woonhuis, dat voor onmiddellijk .gebruik gereed is, „may yield a revenue to its proprietor, and thereby serve in the function of a capital to him, it cannot yield any to the public, nor serve in the function of a

bruikt en herhaalt, waarmede hij zijn vroegere gevolgtrekkingen opgesteld heeft en nu zijn nieuwe deducties maakt: met dezelfde woorden, in denzelfden gedachtengang, en in dezelfde beeldspraak licht hij zijn denkbeelden toe, en onverwachts worden wij soms herinnerd aan waarheden en axioma's, die in het primaire gedeelte van Het Kapitaal zijn vooropgesteld. Zoo lezen wij ook hier weer, dat „in tegenstelling tot de andere waren de waardebepaling van de arbeidskracht een historisch en zedelijk bestanddeel bevat": hiermede blijft Marx volkomen in den gedachtengang, ontwikkeld in de analyse der waar, dat nl. de arbeidskracht een waar, zij het een bijzondere waar is (vgl. blz. 169).

En deze man, die zoo tot in kleinigheden de bewijskracht van zijn betoog beheerscht en verzorgt, die zich zoo volkomen bewust is van de strekking en beteekenis van elke uitdrukking en van elk argument, waarvan hij zich, tot in bijzonderheden nauwkeurig, ter adstructie van eenig bepaald onderdeel zijner argumentatie bedient, zou niet tot het besef gekomen zijn, dat, waar het betreft de algemeene richting van zijn arbeid, er een verband zou bestaan met Kant's wijsbegeerte I En dit alles bovendien nog in openlijken strijd met zijn eigen uitgesproken, wijsgeerige geloofsbelijdenis „zelf een leerling van dien grooten denker Hegel te zijn," „wiens methode lijnrecht aan de zijne tegenovergesteld", d.i. dus daaraan volkomen gelijk en gelijkwaardig is!

Inderdaad: de argumentatie van den Neo-Kantiaan Woltmann en zijn navolgers, ter wijsgeerige fundeering van hun socialistische levensleer, heeft weinig overtuigende beteekenis.

282

Sluiten