Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeggenschap van arbeiders en ambtenaren, e.a., hoe belangwekkend en veelomvattend in zichzelve, binnen het kader van deze algemeene beschouwingen geen plaats kunnen vinden: zij betreffen toch slechts de practische doorvoering van een beginsel, waarvan de rechtvaardiging — de logische, natuurnoodwendige noodzakebjkheid, aldus sommigen — op een ander gebied reeds is behandeld, bewezen.

Trouwens, met deze opvatting en beperking blijf ik volkomen in de lijn van Marx zelf: practische vraagstukken als deze hadden zijne belangstelling niet, en de toepassing van zijn leer, hare verwezenlijkmg, hare Entauszerung bi de inrichting van een nieuwe, socialistische maatschappij was een aangelegenheid, waarvoor niet hij de bouwstoffen had aan te dragen. Marx interesseerde de wetenschappelijke, de zuiver theoretisch-wijsgeerige kant van het maatschappelijke vraagstuk, en ook hier treft weer de overeenkomst in den gedachtenbouw, in het geheele systeem van denken en doorvoelen van Hegel en Marx; het is alsof de geringschatting van Hegel voor de feitelijke natuur, inzoover zij in haar toevalligheden inadaequaat kan zijn aan het begrip, het voor hem wezenlijke, hier bij Marx op materieel-sociaal gebied doorwerkt, waar zij zich openbaart in een tegenzin, althans bi een mindere waardeering van de toepassing van zijn beginsel, waarin hü het „Einmalige" ook niet plaatsen kan: „het einddoel van Het Kapitaal" wordt dan ook door Marx zelf omschreven als „het ontdekken van de economische bewegingswet van de moderne maatschappü." l) Niet meer — maar vooral ook niet niinder. 2)

i) Voorrede bij de eerste uitgave van „Het Kapitaal".

Vgl. Sven Heiander, „Marx und Hegel", blz. 67: „Marx selber ist organisatorisch unfruchtbar, kann nur verneinen. Doch positiver Sozialismus besteht gerade aus Organisation."

Zie ook Prof. de Vries in zijn, den 8sten November 1921 als Rector-Magnificus der Nederlandsche Handels-Hoogeschool uitgesproken rede „Economische critiek op de socialistische productie-organisatie", te vinden in het jaarverslag dier Hoogeschool; volkomen juist constateert hij, dat „Marx en zijne volgelingen het overbodig en ongewenscht hebben geacht nader in te gaan op de inrichting der socialistische maatschappij." (blz. 14).

s) Teekenend komt deze geringe waardeering voor practische vraagstukken bij Marx naar voren, waar hij, in Het Kapitaal, II, „Die Holle des Geldkapitals", de beteekenis van het geld in een socialistische maatschappij bespreekt:

„Das Geldkapital fMlt bei gesellschaftlicher Produktion fort. Die Gesellschaft verteilt Arbeitskraft und Produktionsmittel in die verschiednen Geschaftszweige. Die Produzenten mogen meinetwegen papierne Anweisungen

292

Sluiten