Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezelfde is als die der Hegeliaansche wijsbegeerte, nl. reëel te zijn in den meest volstrekten zin des woords.

Marx' arbeid is meer dan een denkproces, het is de gedachte werkelijkheid zelve, behoorende tot de objectief-ideale sfeer van het menschehjk bewustzijn: de sociale werkelijkheid, zooals Marx deze opvat, openbaart zich in de ruilwaarde als den eenig mogelijken verschijningsvorm der waarde, en de analyse der werkelijke sociale verhoudingen valt samen met, is tevens de analyse der waardeidee. *)

Zoo als Hegel's groote doel is tot logisch ontwijfelbare, absolute kennis van het Absolute te komen, en voor hem dit absolute proces doorzichtig is geworden als logisch proces, waarbinnen de wet van het denken dezelfde is als de wet van het zijn, zoo is evenzeer de Marxistische wijsbegeerte een doorgronding van de sociale werkelijkheid, die nu echter als zuiver materieel wordt aanvaard, en haar neerslag vindt in de arbeidswaardetheorie: de geheele kapitaüstische maatschappij is de waarde-idee. In „Het Kapitaal" geeft Marx zijn bijzonderen „kijk" op de maatschappij, hij heeft daarin neergelegd zün wereld- en levensbeschouwing, en binnen het raam van deze levensleer betoogt hü, „bewüst" hy dialectisch hoe, wat z.i. de allesomvattende werkelijkheid is, zich ontwikkelt, en op een zeker moment van beweging zich openbaart: „Het Kapitaal" is eigenlijk niets anders dan de Hegehaansch doordachte, materialistische wüsbegeerte, waarin, naar de qualificatie van Marx zelf, „het denkproces, door Hegel zelf onder den naam van idee in een zelfstandig wezen veranderd, de schepper van de werkehjkheid, die slechts rijn uitwendige verschijning vormt", vervangen is door de sociale materie, welke op haar beurt voor Marx de volheid der werkelykheid zelve is. Juist omdat „Materialismus und Spiritualismus die inhaltlichen Gegensatze sind, in welche die monistische Metaphysik auseinander tritt",2) begrijpen wü de voorstelling van Marx, door Engels overgenomen 3), dat „het mystiek element, dat de dialectiek uit

*) Vgl. hierboven blz. 140 v.v.

Von Böhm—Bawerk, waar hij in zijn „Zum Abschluss des Marxschen Systems" ditzelfde vraagpunt bespreekt, gaat m.i. teveel in op bijzonderheden van doel en methode der natuurwetenschappen (vgl. bijv. blz. 194 van de Festgaben für Knies); hij vervalt daarmede in de fout, waartegen ik op blz. 291 hierboven gewaarschuwd heb.

s) Jerusalem, Einleitung in die Philosophie, blz. 155.

3) Ludwig Feuerbach, enz., blz. 17.

296

Sluiten