Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eigenlijk zien wij ons dus hier, maar nu op sociaal terrein, gesteld voor het kernprobleem van Kant's wijsbegeerte, en wel van den Kant der transcendentale Methode, van de transcendentale Analytik bovenal, wiens geheele onderzoek naar de Möglichkeit der Erfahrung niets anders is dan de poging om te geraken tot een formuleering van die laatste, zooeven genoemde, onbetwijfelbare stellingen, onbetwijfelbaar althans voor elk, die waarheid wil en niet van een vooropgezet standpunt uitgaat: in zooverre kunnen wij ons dan ook begrijpen, dat Lange spreekt van „der grosse Rückschritt Hegels, verghchen mit Kant", omdat Hegel, en precies hetzelfde geldt voor Marx, zijn systeem wil laten gelden, daaraan waarheidswaarde toekent, zonder op de waarde dier gelding in te gaan. Hegel gelijk Marx constateert een waarheid, een werkelijkheid, maar wij blijven geplaatst voor het fundamenteel probleem, wat toch die waarheid is, waaraan zij deel beweren te hebben, waarop dat gelden berust, waarop zij aanspraak maken voor hunne beweringen.

Over de wijze, waarop Marx tot zijn allesbeheerschend uitgangspunt gekomen is, laat hij zich niet uit: hij poneert kortweg dat „meine Untersuchung mündete in -dem Ergebnis, dasz Rechtsverhaltnisse wie Staatsformen weder aus sich selbst zu begreifen sind, noch aus der sogenannten allgemeinen Entwicklung des menschlichen Geistes, sondern vielmehr in den materiellen Lebensverhaltnissen wurzeln", terwijl het bovendien heet, dat „die Gesammtheit der Produktionsverhaltnisse die ökonomische Struktur der Gesellschaft bildet, die reale Basis, worauf sich ein juristiscber und politischer Überbau erhebt, und welcher bestimmte gesellschaftliche Bewusztseinsformen entsprechen." *)

Marx is een consecpient aanhanger van het monistisch materialisme zoowel in het individueele als in het sociale leven: atoom of

*) Men vergelijke in verband hiermede Stainmler, Wirtschaft und Recht, dieop blz. 29, in een hoofdstuk „Soziale Ideen als Reflex wirtschaftlicher Verhaltnisse," schrijft, dat „die soziale Bewusztseinserscheinung nur der auszere Schein der wahren Substanz, der Materie des sozialen Lebens im Sinne der Sozialwirtschaft, ist," en daarna, in een hoofdstuk „Der Begriff der Gesellschaft," de eigenlijke questie stelt:

„Wodurch wird nun dieses gesellschaftliche Zusammenleben gegenüber dem blosz physischen Beisammensein begrifflich bestimmt?

„Hier hat das Merkmal einzutreten, nach dem wir oben fragten — dasjenige Moment, welches das soziale Leben als eigenen Gegenstand unserer Erkenntnis also bestimmt, dasz es dem blosz physischen Nebeneinanderbestehen verschiedener Menschen in bleibender formaler Eigen art sicher gegenübertritt" (blz. 81).

300

Sluiten