Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

warenwereld opgelost in de maatschappelijke betrekkingen der dingen, van de arbeidsproducten".1)

De Hegeliaansche dialectiek, die het meest afgetrokken en leege begrip van het „zijn" zich uit eigen middelen, naar eigen innerlijke noodzakelijkheid, laat verrijken, vervullen, verdichten tot de volheid van al het bestaande, komt onveranderd en naar strekking en inhoud volkomen gelijkwaardig terug in de Marxistische voorstelling van het „zijn van arbeidsproduct", hetwelk, gematerialiseerd in de ruilwaarde, de alomvattende economische werkelijkheid is; zelfs de Hegeliaansche onderscheiding „ob wir nur denkende „sind", oder ob wir uns als denkende auch „wissen"," aanvaardt Marx, waar hij, het wezen van de werkzaamheid der menschen bi het ruilproces besprekende, en constateerende, dat zij hunnen verschillenden arbeid als menschelijken arbeid gelijkstellen, schrijft:

„Zij weten het niet, maar zij doen het." Weliswaar „trachten zij later achter het geheim van hun eigen maatschappelijk product te komen, — welke late wet^sohappebjke ontdekking, dat de arbeidsproducten, voorzoover zij waardemassa's zijn, slechts de zakelijke uitdrukking van den tot hare productie verbruikten menschelijken arbeid zijn, een nieuw tijdperk in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid kenmerkt —", maar ondertusschen zijn deze warenhoeders „Hegelaars geweest, wat zij zelf niet wisten, zoolang zij in hun Hegellooze ondoordachtheid en redelooze verstandigheid voortgingen met slaapwandelen." 2)

Bij dit uitgesproken, bijzonder karakter der materialistische, in Hegeliaanschen zin doordachte Marxistische wijsbegeerte, spreekt het ook vanzelf, dat zij de, het absolute idealisme van het grootste denkgenie van alle tijden aanklevende onvolkomenheden en onbegrijpelijkheden op haar levensweg meegekregen heeft: evenmin als Hegel voor wien het begrip het wezenlijke is, in staat is het individueele en feitelijke te doen verstaan, evenmin is Marx in

i) In het hoofdstuk over „De gedaanteverwisseling der waren" spreekt Marx over de „stofwisseling van den maatschappelijken arbeid" naar aanleiding van de vormverandering W—G—W, over „de volledige gedaanteverwisseling eener waar", die zich ontwikkelt in een geheele sfeer van maatschappelijke natuurverschijnselen, door de handelende personen niet te controleeren"; de inwendige eenheid dezer zelfstandig op elkaar inwerkende pro-cessen culmineert in „de verpersoonlijking der zaken en de verzakelijking der personen."

a) De Sopper, Hegel en onze tijd, blz. 36.

303

Sluiten