Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het waandenkbeeld van absoluut geldige waarden wil het materialisme op zijn intrinsieke beteekenis getaxeerd hebben, welke inderdaad, als het op een principieelen strijd met materieele momenten aankomt, nihil zou zijn.

Maar één uitzondering moet het materialisme toch maken waar het wil „gelden" als fundeering van een houdbare levensbeschouwing, en wel ten aanzien van zich zelf als systeem, als geheel: wanneer het krachtens zijn aard nog iets meer wil dan louter bestaan, en iets anders wil zijn dan verklaringsobject, dat wil dus zeggen wanneer het waarheidswaarde wil bezitten, plaatst het ons voor het fundamenteele vraagstuk, wat toch die waarheid is, waaraan het beweert deel te hebben, en waarop dat gelden berust, waarop het aanspraak maakt voor zijn beweringen. En juist ten aanzien van dit fundamenteele vraagstuk leert ons het levenswerk

van Marx en Engels niets, kan het ons ook niets leeren, tenzij

het zichzelf stelt voor het kernprobleem van Kant's wijsbegeerte met zijn onderzoek naar de Möglichkeit der Erfahrung.

Uit wat hierboven is meegedeeld, moge duidelijk blijken hoe zelfbewust tegenover en hoe ver met name Engels in Ludwig Feuerbach staat van deze zelfbezinning op de formuleering van die waarheids- en werkelükheidsvoorsteUingen omtrent het wereldmateriaal, zal het als materiaal kunnen dienen voor de synthetische werkzaamheid van den geest, opdat een beroep op, een verwijzing naar die werkelijkheid niet als nietszeggende tautologie verworpen moet worden: Kant's wijsbegeerte met haar leer van het Ding an sich is voor Engels slechts een „Abergiaube", en zijn „kategorischer Imperativ" is hem een „ohnmachtig'' begrip, „ohnmachtig, weil er das Unmögliche fordert, also nicht zu etwas Wirklichem kommt." x)

Verklaarbaar wordt dit alles, wanneer men zich nader indenkt in de verhouding, die bestaat tusschen het materialisme als levensleer, d.i. tusschen de natuurwetenschap in hare verabsoluteering

i) Zoo ziet m.i. Bonger in zijn rede „Over de evolutie der moraliteit" een genetische verklaring van kinderdoodslag bij de natuurvolken, onmiddellijk na de geboorte, en verklaarbaar „door den grootsten voedselnood aan de uiterste grens van de „Nahrungsspielraum"," voor een rechtvaardiging daarvan aan; „kinderdooden komt niet voort uit slechtheid van karakter, doch uit de dringende noodzaak der omstandigheden": hij vergeet, dat deze verklaring zelf weer pretendeert te gelden, en ons alleen iets te zeggen heeft, voorzoover die pretentie gerechtvaardigd is, en plaatst ons dus weer voor hetzelfde probleem.

Ik voor mij verleg het vraagstuk dan ook negen maanden, en stel het in

310

Sluiten