Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen, maar in denzelfden zin als waarin het in de micrologische anatomie daarom te doen is."

Met de materialistische levensleer valt dus ook de leer van het arbeidswaardeprincipe van Marx, welke stelling inzooverre een tautologie is, als inderdaad die arbeidswaardetheorie niets anders is dan Marx' gestolde levens- en wereldbeschouwing zelve.

In dit verband is het dan ook uiterst merkwaardig te constateeren hoe Kuyper „worstelt" om de materialistische eenheidsgedachte in Marx' arbeidstheorie als eenig en allesbeheerschend constitutief element in diens waardeleer te camoufleeren: het is als het ware alsof hij bij intuïtie gevoelt, hoe hier het materialistisch karakter van „Het Kapitaal" culmineert, en hoe hier de kracht, maar in die kracht tevens de zwakte van het arbeidswaardeprincipe ligt.

In zijn artikel „,Over waarde" schrijft Kuyper dan: „Mij dunkt het blijkt voldoende, dat Marx er niet in geslaagd is voor zijn waardewet ook maar een schijn van bewijs te geven. Het fundament van zijn analyse hangt volkomen bi de lucht. Bij de nadere uitwerking van de theorie in Deel III wordt aan die beredeneering van de fundamenteele waardewet door Marx zelf het bestaansrecht ontnomen. Wat is het geval? De waardewet, consequent doorgevoerd, leidt tot de slotsom, dat de winsten der ondernemingen evenredig zouden zijn. met het gebruikte variabele kapitaal (bij gelijken omslag van v.) en niet, zooals de ervaring leert, bij benadering met duur en omvang van de gezamenlijke kapitaalaanwending. De theorie wordt nu in overeenstemming met de werkelijkheid gebracht door de nivelleering van den profijt (zooals die op grondslag van de waardewet zou moeten zijn) tot doorsneeprofijt. Hiermee gaat samen, dat de ruil als regel niet meer plaats heeft volgens de waarden, maar volgens de productieprijzen. Met andere woorden: het gemeenschappelijke in twee waren, die in het ruilverkeer aan elkaar gelijk gesteld worden, is in den regel niet van dezelfde grootte. Een merkwaardige slotsom, waar juist het geheele bewijs voor de waardewet zich baseerde op de stelling, dat in de waren, die in het ruilverkeer aan elkaar gelijk gesteld worden, iets gemeenschappelijks van dezelfde grootte moet

314

Sluiten