Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steken. De constateering van deze tegenspraak is het gedeelte waarheid, dat er m.i. steekt in de bewering, dat Deel III van „Das Kapital" in strijd zou zijn met de beschouwingen uit Deel I en II."1)

Afgescheiden hiervan, dat Kuyper deze tegenstrijdigheden niet voelt als Hegeliaansche onvolkomenheden en toevalligheden, die in het wijsgeerig systeem van Marx niet passen, maar dit systeem als zoodanig onaangetast laten, is het mij volkomen onbegrijpelijk hoe hij nu verder schrijven kan, dat „het arbeidswaardeprincipe, zooals het volgens den verderen gedachtengang van Marx feitelijk moet worden opgevat, houdbaar is:" wanneer inderdaad „niet volgehouden kan worden, dat er iets gemeenschappelijks van dezelfde grootte in de waren moet schuilen, waarop de gelükstelling in het ruilverkeer berust," verwerpt men zeer nadrukkelijk wat Marx reeds in het allereerste begin van Het Kapitaal en verder door zijn geheelen arbeid heen als fundamenteel vooropgezet en steeds consequent doorgevoerd heeft. Verklaarbaar is dit voor mij alleen, inzoover Kuyper het materialistisch, allesbeheerschend element in Marx' denkbeelden niet vooropzet, en niet doorziet, dat deze reductie op het gelijksoortige, dat aan alle ruilwaarden gemeen is, de materialistische opvatting van den arbeid is, in Hegeliaanschen zin doordacht, en neergeslagen in die ruilwaarden als verschillende hoeveelheden „zijn van arbeidsproduct." 2)

Kuyper vindt, dat Marx ons hier „te veel van het goede der dialectiek geeft": had hij zich beter ingewerkt in deze dialectiek, die inderdaad naar vorm en inhoud, naar betoogtrant en methode van argumenteeren, naar opzet en strekking de Hegeliaansche is, dan had hij zich over Marx' levensarbeid „Het Kapitaal", d.i. over Marx' waarde-idee, niet uitgelaten gelijk hij gedaan heeft.

In zijn consequenties waar het betreft de waardeering van het

i) Zie Marxistische Beschouwingen, I, blz. 192 en 193.

Volkomen denzelfden gedachtengang treffen wij aan in Kuyper's artikel: „De toekomst van het Marxisme," opgenomen in De(n) Socialistische(n) Gids, Hl, (1918), blz. 637.

Ook von Böhm in zijn „Zum Abschluss" — ik vestigde er hierboven reeds de aandacht op — gaat met zijn kritiek op Marx' systeem in deze richting.

a) Euphemistisch schrijft Kuyper in „Over Waarde," dat „de kritiek op het Marxisme — voorzooverre zij gegrond is, — het stelsel in zijn wezen niet aantast, en bij een betrekkei ij k onbeteekenende verwerking en aanvulling van het stelsel geheel is te ondervangen" (Marxistische Beschouwingen, I, blz. 199): deze qualif icatie ten aanzien van zijn eigen kritiek en aanvulling komt mij beslist te bescheiden voor.

315

Sluiten