Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereldbeschouwing, moet ter eigen rechtvaardiging een beroep doen op een systeem van waarden, welke het dan later weer wegverklaart, wegredeneert, en is als zoodanig een onmogelijke, zichzelf vernietigende onderneming.

Mevrouw Roland Holst treedt juist daarom „de heerlijke levenswijsheid van het Marxisme — de qualificatie is van Kuyper in zijn artikel „De toekomst van het Marxisme" — *) met voeten": zoo er één bewijs noodig is voor de verdeeldheid der geesten in het kamp der socialisten, dan zeker wel het feit, dat „deze bekwame vrouw heel den levensstijl van het Marxisme: de warsheid van alle metaphysiek, het bezien van wereld en maatschappij in hun eenvoudige natuurlijkheid, het concentreeren van voelen en denken op het aardsche leven heeft opgegeven," aldus Kuyper wederom, waartegenover Mevrouw Roland Holst op haar beurt, maar ook weer met een beroep op Marx, de overtuiging uitspreekt, dat de maatschappelijke ontwikkeling „een element bevat van eigen drang, activiteit of intuïtie" buiten economische invloeden om. 2)

Voor haar, voor wie de menschelijke persoonlijkheid als het een en al geldt, is het Marxisme met zijn negatie van de eigen, oorspronkelijke waarde dier persoonlijkheid, inderdaad een onhoudbare wereldbeschouwing: als volstrekt materialistisch systeem, waarbinnen de mensch slechts fungeert als een onzelfstandig

') De Socialistische Gids, III (1918), blz. 644.

") Voor de nadere bespreking van dit standpunt verwijs ik naar wat hierboven op blz. 187 v.v. is medegedeeld.

Dr. Ketner, in een artikel Religie en Socialisme, opgenomen in De(n> Socialistische(n) Gids, VI (1921), blz. 793 v.v., tracht de eenheid van denken omtrent de diepste levensvragen onder de socialisten te bevorderen: dit ia alleen maar mogelijk in de sfeer van het materieele, waarbinnen 's menschen geestelijk leven niets dan een epifenomeen is.

Met name is voor Marx het vraagstuk van den godsdienst opgelost: het moge waar zijn, dat Robinson bidt, maar hij doet dit alleen „omdat hij daarin behagen schept en zoodanige bezigheden als uitspanning beschouwt".

In zijn „Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie" lezen wij verder:

„Das religiöse Elend ist in Einem der Ausdruck des wirklichen Elendes und in Einem die Protestation gegen das wirkliche Elend. Die Religion ist der Seufzer der bedrangten Kreatur, das Gemüth einer herzlosen Welt, wie sie der Geist geistloser Zustande ist. Sie ist das Opium des Volks.

„Die Aufhebung der Religion als des illusorischen Glücks des Volks ist die Porderung seines wirklichen Glücks."

(Aus dem literarischen Nachlass von Karl Marx, Friedrich Engels und Ferdinand Lassalle, herausgegeben von Franz Mehring, I, blz. 385).

318

Sluiten