Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Desniettegenstaande handhaaft Troelstra in zijn brochure „De wereldoorlog en de sociaaldemocratie" de opvatting, dat „het historisch-materialisme de hypothese van den klassenstrijd levert als beweegkracht tot den overgang van het eene tijdperk in het andere, van het eene politieke regiem in het andere, van de eene idee naar de andere;" x) het uitgangspunt van de leer van Marx, zijn zeer bijzonder doordachte waarde- en kapitaalopvatting, verwerpt Troelstra, maar het op deze waarde-theorie gegrondveste en daaruit afgeleide leerstuk van den klassenstrijd aanvaardt hij als „den sleutel tot de werkkamer der geschiedenis."

Troelstra maakt zich, naar mijne opvatting, aan dezelfde fout schuldig als Bernstein; bij aanvaardt niet de volle consequenties van het Marxistische uitgangspunt der maatschappij-opvatting, en ziet niet in — of beter gezegd: wil niet inzien — de allesbeheerschende beteekenis van het materialisme, vooral en met name ten aanzien van het geestelijk leven: in de ijle lucht der abstracties van Hegel's en van Marx' systeem zal hij de door hem gewenschte staling van de idee der persoonlijkheid zóó weinig vinden, dat integendeel die persoonlijkheid zoowel in het eene als in het andere systeem geworden is tot een onzelfstandig doorgangspunt van ideëele, dan wel sociale natuurkrachten. Bij een zoo diep mgrb% pende leer als de historisch-materialistische geschiedenis-opvatting komt het er op aan, het beginsel in zijn consequenties te doorgronden, en, in het kader van deze opvatting, op het geheel te letten en de wezenlijke kern goed in het oog te houden, nl. dat de eenige sociale werkelijkheid is het geheel der productie- en ruüverhoudingen, en dat dus het geheele sociale leven, ook in zijn geestelijke openbaringen, beheerscht wordt door de wetten, waaraan de maatschappelijke materie in hare functioneering onderworpen is.

Wanneer Troelstra dan ook schrijft, dat „het te verwachten is, dat meer dan tot heden de beperktheid van het historisch-materialisme, dat als reactie tegen het idealisme der Hegeliaansche philosophie, in de ontwikkeling der menschheid het economische element der productiewijze als het allesbeheerschende aanvaardt, zal worden ingezien," ligt hier de primaire fout van zijn gedachtengang: de historisch-materialistische, en dus ook de Marxistische maatschappij-opvatting is te zeer uit één stuk en is te absoluut

den arbeid en voor den verkoop der producten van dezen arbeid." (Het Kapitaal, I, Meerwaardevoet en grootte der meerwaarde). ») Blz. 109.

322

Sluiten