Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soonlijkheid geen arbeidsveld weten, bestaat er geen overgang van de gedachte tot de werkelijkheid; zij komen niet uit het spel der begrippen, binnen wier theoretisch verband het om „waarheden" te doen is, in het werkelijke leven der „feiten." Zooals voor Hegel alle feiten worden geabsorbeerd door het ééne eeuwigheidsfeit, door hem gesteld, nl. dat de idee zich eeuwig verkeert, zoo heeft in materieelen zin ditzelfde proces plaats voor Marx, maar nu via de idee der sociale realiteit en de zelfbevruchting der materie, en hetwelk zijn consummatiepunt bereikt in de waarde-idee: spontaneïteit, daad en wil zijn in het kader van deze voorstellingen irrationeel, en voor een persoonlijk leven is binnen Marx* begripsconstructies geen plaats.*)

Het stemt dan ook tot nadenken, wanneer men overweegt, dat juist onder hen, die zich volgelingen van het Marxistische socialisme noemen, een vraag naar waarden ontstaat, en dat men juist daar tot het inzicht komt, dat het object van ethiek, godsdienst, moraal, enz., kortom van welke uiting ook van 's menschen geestelijk leven, geen schijnobject is, maar een wezenlijk, eigen bestaan voert: het is alsof Marx' onvermüdelijke natuurwet, wier werking hij constateert ten aanzien van de kapitalistische productie, 2) de ontkenning van de ontkenning, — incidenteele toepassing van Hegel's volstrekte negativiteit, die alles doet wankelen en omslaan — bezig is zich door te zetten ten aanzien van niets

') Hierin ligt voor mij dan ook de psychologische verklaring van het feit, dat noch in Engeland, noch in Nederland het Marxisme een vruchtbaren voedingsbodem gevonden heeft: bij alle verschil in karakter kenmerken Engelschcn en Nederlanders — welke laatsten, naar het woord van Thorbecke, van hun geschiedenis niet geleerd hebben in staatkundige beschaving bij eenig volk achter te blijven, — zich door een te sterk ontwikkeld individualisme, dan dat zij zich in het gareel van een systeem of begrip laten spannen. Het is niet toevallig, dat Hegel en Marx Duitschers zijn.

Men vergelijke F. E. Salter in zijn „Karl Marx and modern socialism" (1921):

„The German character has in the last few years been so often analysed, that little more need be said about it. In particular we have heard a d nauseam of the docility of the individual Teuton; but it must be admitted that the German working man, however revolutionary he may appear to be, i s really a very submissive and tractable creature. Unlike the Frenchman, he is no good at making revolutions; unlike the Englishman, he is no good at getting practical measures passed. He is first, second and last a theorist" (blz. 160).

a) Het Kapitaal, I, De zoogenaamde oorspronkelijke accumulatie.

325

Sluiten