Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD.

Voorwoord.

Kritische zin van den tegenwoordigen tijd. 5. — Gewijzigd standpunt van Mevr. Roland Holst ten opzichte van het Marxisme. 6. — Ontwakend besef van de beteekenis der geestelijke waarden. 7. — Opvattingen van Bernstein en Troelstra: het revisionisme in de sociaal-democratie. 9. — Versterking van de idee der persoonlijkheid; aanvulling en nadere uitlegging van het historisch materialisme. 10. — Deze arbeid rechtstreeks getoetst aan de denkbeelden van Marx, Engels en Dietzgen. 11.

Inleiding.

Weinig waardeerende kritiek van Marx' arbeid in ons land: eenerzijds wordt deze gequalificeerd als duister en kronkelig, anderzijds als onwetenschappelijk. 12. — Denkbeelden van Dietzgen, die onvoorwaardelijk bewondert, en Werner Sombart, die den nadruk legt op de verwaarloozing der „onwerkelijke" ideeënwereld. 13. — Uitgangspunt van deze studie: de sociale wetenschap is in de eerste plaats een wijsgeerige wetenschap. 15. — De opvatting van Pierson: het uitgangspunt niet scherp omschreven, en voorzoover het omschreven is, in zijn algemeenheid weinig zeggend. 16. — Het zwaartepunt van de bespreking van Marx' denkbeelden ligt op het gebied der waardeleer. 18. — Deze is zijn „gestolde" levens- en wereldbeschouwing. 20. — Het Kapitaal is een wijsgeerig systeem, absoluut en exact naar wezen en strekking. 21.

De waardetheorie van Marx.

Verschil tusschen gebruikswaarde en ruilwaarde. 22. — Waardevormende substantie van den arbeid. 23. — De herleiding van den arbeid tot „qualitatslose Arbeit". 24. — Arbeidskracht, die in haar verbruik als arbeid gebruikslichamen voortbrengt, in tegenstelling van de geheele arbeidskracht der maatschappij, welke vervat is in het geheel der waren. 25. — Arbeid die qualitatief geldt en arbeid die quantitatief geldt. 26. — De abstract menschelijke arbeid is de hoeksteen der Marxistische economie. 27.

De drieledige grondslag van Marx' systeem.

Marx bespreekt niet den wijsgeerigen grondslag van zijn'arbeid: hij zet dien eenvoudig voorop, constateert slechts zijn geldigheid. 29. — Hoofdmomenten van zijn leer, welke naar alle zijden afgerond en in zichzelve gesloten is: hét monistisch materialisme, het historisch materialisme, het nauwe verband jnet de wijsbegeerte van Hegel. 30.

Sluiten