Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE HOOFDSTUK.

De monistisch materialistische wereldbeschouwing.

Het materialisme als grondprobleem.

Geen voor zich zelve bestaande werkelijkheid dan stof. 31. — Over het

verband tusschen materieele en ideëele processen laat Marx zich niet uit. 32.

Karakteriseering door Heymans van het geestelijk leven als van een schaduwof spiegelbeeld. 33. — Absolute strekking van het materialisme: de volle alomvattende werkelijkheid zou daarin gegrepen zijn. 35. — De vroegere plaats van de mechanica in de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing nu ingenomen door de biologie: ook bij deze vernieuwing van haar grondbeginsel is er in haar denkschema voor waarden geen plaats. 37. — In het naturalisme

is het intellect het vermogen de werkelijkheid te doorgronden. 38. Voor

Marx zijn de personen slechts' de belichaming van economische kategorieën,. dragers van bepaalde sociale verhoudingen: hij aanvaardt eenvoudigweg het naturalisme als de eenig ware, de eenig werkelijke en juiste opvatting, waarbinnen geestelijke functies geen eigen, zelfstandigen levensgrond hebben. 40. — Voordeel der Marxistische methode om zich niet met interne wijsgeerige vraagstukken in te laten. 41. — Stoffelijke opvatting van'het arbeidsproces: wat zich aan den kant van den arbeider als beweging voordoet, verschijnt aan den kant van het product als eigenschap van rust in den vorm van het zijn. 43. — De arbeider wordt tijdens het arbeidsproces „overgeheveld" in het arbeidsvoorwerp. 45. — Marx' grondbeginsel wordt niet beïnvloed door den stand van ontwikkeling der wetenschap in een bepaald tijdsgewricht: het algemeen verband tusschen geest en stof denkt hij zich alleen in monistischmaterialistischen zin. 47. — Marx en Engels doelen reeds op de „zelfwerkzaamheid" van het organisme. 48.

Dietzgen's wijsbegeerte.

Marx' naturalistische opvatting van psychologische processen: het zien is een. natuurkundige functie tusschen natuurkundige verschijnselen. 50. — Verwantschap van Marx' opvatting met Dietzgen's materialisme. 51. — Dietzgen's kennistheorie wil van een onkenbaar „Ding an sich" niets weten. 52. — Het wezen van het denken: in het bijzondere het algemeene te doorgronden. 54. — Verband met de philosophie van Descartes als wijsbegeerte van objectieve strekking. 55. — Misvatting van de Kantiaansche denkbeelden en theorieën. 56. — Ook het beroep van Dietzgen op Descartes hééft weinig .overtuigende beteekenis: het „ik" van Descartes is niets anders dan het empirische,

Sluiten