Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Marxistische waarde-idee. 115. — Zij is inderdaad de „ungeheure Arbeit der Geschichte". — 116. Het eenzijdige van Marx' uitgangspunt. 117. — Het duistere element in zijn waardeleer: dubbelzinnige voorstelling van de „abstractie". 118. — Dietzgen's wijsbegeerte tracht deze gedachtenconstructie te fundeeren. 119. — Quantitatieve opvatting der waarde-idee. 121. — Als Marx onder waardevormenden arbeid verstaat unskilled labor, blijft er een onverklaarde rest van de geheele arbeidskracht der maatschappij, vervat in het geheel der waarde van de waren, welke die maatschappij voortbrengt. 123.

Absolute strekking en amoreel karakter van Marx' maatschappijleer.

Marx' leer verlangt of eischt niets: zij constateert. 126. — De producenten zijn menschen, bevangen in de verhoudingen der warenproductie. 129. — De mensch slechts de drager der kapitaals- of arbeidsidee. 131. — Het doel van den arbeid is den mensch reeds ingeprent door den stand der productieverhoudingen. 133. — Kritiek- op Treub's opvatting, alsof door het doelwit van den arbeid Marx met zijn materialisme op gespannen voet zou zijn gekomen. 134. — Het geestelijk element verwaarloost Marx niet: het blijft echter een nevenverschijnsel van het eenig ware, werkelijke. 135. — Het [doet- zijn invloed slechts bijkomstig gelden. 137. — In laatste instantie zet zich de economische realiteit door. 139. — Eigenlijk kenmerk der Marxistische levensleer. 140. — De waardetheorie is de alomvattende realiteit op economisch gebied, allerminst slechts een „gedankliche Konstruktion". 141. — Zij is de analyse der werkelijke verhoudingen. 143. — Wat is de eigenlijke beteekenis van het geestelijk leven in Marx' levensleer? 145.

Theorie der „wederkeerige werking" tusschen stoffelijke en geestelijke functies. Het revisionisme.

Het geestelijk leven als zuiver passieve weerspiegeling van materieele factoren. 147. — Verhouding tusschen denken en zijn volgens Engels' opvatting. 149. — Het geestelijk leven beheerscht door dezelfde wetten als de stoffelijke wereld. 150. — Het vraagstuk der „zoogenaamde groote mannen". 151. — Het oude materialisme van Feuerbach erkent ideëele drijfveeren, maar de drijfveeren van deze drijfveeren moeten worden opgespoord. 152. — Engels' kritiek op het „Ding an sich". 155. — Feuerbach's materialisme niet consequent doordacht: het is eigenlijk een dualistisch materialisme. 156. — Ook de godsdienst en de geheele maatschappijleer moeten herleid worden op materieele momenten. 157. — De „weltliche Grundlage" is de zichzelf bewegende sociale materie. 158. — Engels erkent ook een wederkeerige werking tusschen materieele en ideëele factoren, maar in een andere verhouding dan 'Bernstein en Woltmann. 159. — Bij Engels breekt op het 'beslissende oogènblik steeds de materie door, individueel of sociaal. 160. — De veelheid der factoren maakt geen inbreuk op de eenheid van de grondoorzaak: aldus Plechanow. 162. — Wederkeerige werking tusschen ideëele en materieele momenten op voet van gelijkwaardigheid. 163. — Monistisch uitgangspunt van Marx en Engels. 164. — Interpretatie der uitdrukking „in

Sluiten