Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche leerstuk der drie bestaanssferen en van de onwezenlijkheid van alle verschijningsvormen, *)

Wanneer in de latere Indische kunst een drang ontstaat naar realistische weergave, dan is het met haar hooge vlucht gedaan.

Het is ondoenlijk in deze beknopte inleiding een volledig overzicht te geven van de Indische beeldhouwkunst, die in haar ruim 1000-jarige periode van grootsten bloei (3e eeuw v. C.—8e eeuw n. C.) zich ontplooide m het ontzaglijke Voor-Indische vasteland en van daar uit inwerkte op de nevengebieden van Achter-Indië en den Indischen Archipel. Wy zullen ons bepalen tot het aangeven van enkele hoofdlijnen en daarbij den nadruk leggen op die perioden, welke getoetst zouden kunnen worden aan eenige ter tentoonstelling aanwezige stukken.

Voorop kan gesteld worden dat, trots de eindelooze veelheid in de schakeeringen, de Indische plastiek in haar totaalbeeld toch een verrassende eenheid vertoont. Dit feit houdt verband met het fundamenteele geestelijke element der Indische cultuur en met de den Indiër aangeboren trouw aan de traditie. Ten aanzien van de waarde der overlevering merkte Roorda op in rijne algemeene inleiding tot de catalogus der vorige, aan de Oost-Aziatische kunst gewijde tentoonstelling van onze Vereeniging: „Tegenover, de meening van hen, die beweren dat strenge handhaving van traditie noodzakelijk leiden moet tot doode conventie en verval, rij opgemerkt, dat voor den kunstenaar, die de traditioneele voorschriften niet als van buiten opgelegde

*) Wö veroorloven ons hier te verwijzen naar de door onze Vereeniging gepubliceerde rede van T. B. Rooroa: „De beteekenis van de Aziatische Kunst", voordracht ter opening van een cursus aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam (1923).

19

Sluiten