Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vincies Sindhu en Gandhara. Herodotus verhaalt van een sterk Indisch contingent, dat in Xerxes' legers strijdt tegen de Grieken. In Alexander's tijd vormde de Indus de grens tusschen het Perzische en het Indische rijk. Het verwondert dus geenszins, dat de oudste Indische kunst invloed onderging van die der Perzen.

Met dit al bleef de Perzische invloed ten slotte slechts bijkomstig en tijdelijk. In de architectonische versieringen bepaalt hij zich tot de invoering van de Perzische zuil en pilaster met haar karakteristiek, klokvormig kelkkapiteel, in de plastiek tot de overname van enkele versieringsmotieven, waaronder vooral op den voorgrond treden, de veelal gevleugelde dieren met hunne fantastische, gemengde gestalten. Afgezien van deze uiterlijke aangroeisels is de kunst van Bharhut en Sanchi in wezen zuiver Indisch, is haar naieve, op frisch realisme gegronde, tevens toch magische sfeer, geheel van eigen bodem. De vreemde invloed gaat dan ook in de latere perioden meer en meer Verdwijnen, gelijk verwacht mocht worden van een kunst, die overvloeide van eigen, rijke levenssappen.

De Buddhistische plastiek dezer periode kenmerkt zich door de afwezigheid van de Buddha-beeltenis. De Verlosser wordt symbolisch voorgesteld door den Bodhi-boom, den troonzetel, een voetafdruk of het Rad der Wet.

De Kushdn-periode (± 30 v. C. — 4e eeuw n. C.) ontleent haar naam aan de Indo-Skytische dynastie der Kushana's. De bloeiperiode valt ook hier weet samen met de regeering van een machtig heerscher, koning Kanishka (± 100 n. C), die na Acoka, de grootste bevorderaar mag heeten van de Buddhistische heilsleer. Kanishka's rijk grensde in het Oosten aan het

21

Sluiten