Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven in hunne laag-relief-sculptuur blijk van decoratieven zin en fijn gevoel voor compositie.

Over het geheel genomen, is de Kushan-tijd een periode van overgangskunst. Voortbouwend op de naieve kunst van Bharhut en Sanchi, ontwikkelt zich in de sculptuur allengs eene grootere vrijheid en bewogenheid.

In de Gupm-periode (4e—6e eeuw) bereikte de Indische plastiek haar hoogtepunt. Ten derden male is het de leidende geest van een groot heerscher, die richting geeft aan de Indische geschiedenis en kunst. Het machtige rijk van Samudra-Gupta (at 350) omvatte in wijden kring het stroomgebied van de Ganges. De Gupta-vorsten waren belijders van het Brahmaansche geloof.

Brahmaansche sculptuur vierde hoogtij in de grottempels van Udayagiri (rt 400) en Dêogarh (=fc 500), beiden in Orissa. Omtrent deze visionnaire kunst zegt William Cohn: „In knappesten Zügen mit den packendsten Gegenüberstellungen werden jedem glaubiger Inder die Visionen ungeheurer urzeitlicher Kosmischer Umwalzungen, die Symbole tiefer philosophischer Spekulationen oder dié allen Wesen einschlieszende Liebe der Gottheit vor Augen geführt." *)

Ook de Buddhistische kunst komt in deze periode tot nieuwen bloei in Magadha, de bakermat van het geloof, in Bodh-Gaya, waar den Buddha het groote Licht opging, in Sarnath, nabij Benares, waar de eerste prediking plaats vond in het gazellenwoud en in Mathura.

Het vermaarde Buddha-beeld van S&rnath, *) met zijn verheven expressie, vloeiend modelé en gevoelig

') Indische Plastik, 1921, p. 32. ^ Idem, PI. 26ï

23

Sluiten