Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de ten nauwste met Oost-Azië verwante Tïbetaansche plastiek, treedt het tantrisch karakter sterk op den voorgrond.

Op Ceylon lagen de kunst-centra om de oude hoofdplaatsen Anuradhapura en Polonnaruwa. Eerstgenoemde was reeds in Acoka's tijd een middelpunt van het Buddhistische geloof en is dit, met vele schommelingen, gebleven tot ± de 9* eeuw. De bloei der Ceyloneesche sculptuur valt in deze periode. Zij culmineert in eenige archaïsch aandoende, vrijstaande kolossen, zoomede in enkele reliëf-sculpturen, waarin het vloeiende modelé doet denken aan verwantschap met Zuid-Indische en Midden-Javaanscbe beeldwerken. De dracht der grandioze, Ceyloneesche kunst kan eenigermate beoordeeld worden naar een ter expositie aanwezige bronsfiguur.

De kunst der latere Polonnaruwa-periode (9'—13" eeuw) vormt een geleidelijken overgang naar de decadente, moderne Ceyloneesche plastiek.

De sculptuur van Burma is van betrekkelijk jongen datum. De oudste Buddhistische bouwwerken dateeren uit de 8' en 9* eeuw, doch eerst in de 11° eeuw begint de architectuur haar hooge vlucht te nemen in Pagan. De steen-plastiek speelt hierin een bescheiden rol. Dit houdt verband met het feit, dat Burma het land is van baksteenbouw, waarin de versiering hoofdzakelijk tot stand komt in terra-cotta en stucco.

De Camfcody'a-kunst vertoont, bij veel verwantschap met die van Indië en Java toch een eigen, inheemsen karakter. Het meest overtuigend spreekt dit bij den grootschen Bayon-tempel van het indrukwekkende Angkor-Thom-complex (9" eeuw), welks bekroningen geheel plastisch opgelost zijn in giganteske hoofden. Bij den lateren Angkor-Wat-tempel (12° eeuw) vindt

27

Sluiten